Elke zomer tracht ik sneller te zijn dan mijn routeplanner. Nu heb ik daar in de herfst, de winter en de lente soms ook last van, maar dat terzijde. De rit van Aiguines naar Grenoble staat symbool voor wat ik zeggen wil.
Na ontbijt en koffie vertrekken we meestal rond 09.00 uur uit Aiguines richting het noorden. De navigatie geeft ons dan zo’n 3 uur voor de rit naar Grenoble. Dat is op zich best lang voor 230 kilometer. Maar goed, we zouden dus theoretisch om 12.00 uur in Grenoble kunnen zijn. Toch is het mij in al die jaren nog nooit gelukt om daar voor 13.00 uur te arriveren.
Niet alleen omdat Lianne het zo leuk vindt om koffie te drinken in plaatsjes aan de N75 (D1075) als Serres, Aspres sur Buëch of Aspremont. Nee het is vooral omdat we achter een vrachtwagen, een caravan of camper moeten blijven ‘hangen’, omdat de vele bochten veilig inhalen schier onmogelijk maken. En als je al ‘een slome’ inhaalt, zit je zo weer achter de volgende. Als ik dus om 13.00 uur in Grenoble ben, ben ik spekkoper. Vaker wordt het 14 of 15.00 uur. Maar goed, eenmaal voorbij Grenoble kun je vaart maken. Negen uren later zit je bij de Mac in Breda.
Wat ik maar zeggen wil. Je bent geneigd niet op de omgeving, al het moois, te letten, maar te rijden (racen is natuurlijk onverantwoord) tegen te routeplanner. Je wilt vóór de tijd die de planner aangeeft, thuiskomen. Terwijl ik het schrijf denk ik ‘Kinderachtig eigenlijk’. Ik kan daar alleen maar op zeggen ‘Ja, dat is het. En als je geflitst wordt ook nog eens duur…’.
Afgelopen zaterdag moest ik aan deze reis denken. Ter gelegenheid van de verjaardag van de koning zouden we wat gaan drinken bij het IJsselhuis. Daar was ik lange tijd al niet meer geweest. Ik had Lauda al gezegd daar heen te willen. Belovend te zullen wandelen. Tot afgelopen zaterdag was het echter bij beloftes en voornemens gebleven. ‘De weg naar het IJsselhuis is geplaveid met goede voornemens’.
Bij vertrek appte Lianne haar zus: ‘We komen er aan’. Nu is de afstand tussen de PC Hooftstraat en het IJsselhuis volgens de routeplanner 600 meter. De planner geeft daar 8 minuten voor. Dus ik denk: ‘Wat als ik dat in 7 minuten kan. Dan ben ik sneller dan de planner. Wel 7/8, dat is 12,5 %!’. Voor aanvang ben ik al zwaar onder de indruk van mijn eigen prestaties.
De praktijk blijkt – zoals zo vaak – echter minder mooi dan de theorie. Mijn tenen hebben de neiging te klauwen, mijn voet heeft de neiging naar buiten te kantelen. Ik moet er echt goed op letten niet op de zijkant van mijn voet te gaan lopen.
Enfin, na de weg omhoog te hebben genomen strompel ik als een oude man met stok over het fietspad langs de Rotterdamseweg. Ik word ingehaald door kleine kinderen die vol medelijden naar me kijken. Ik word ingehaald door feestgangers die ongetwijfeld denken: ‘Wat een slome, hij lijkt wel een vrachtwagen of een camper op de N75 (D1075). Ze zeggen het natuurlijk niet, maar doen alleraardigst.
Om een lange wandeling en een lang verhaal kort te maken. Veertig minuten later arriveren we bij het IJsselhuis. Zwager en schoonzus hadden een stoel en een plek vrijgehouden. Ik plof erin, of beter erop.
Zitten aan de Museumhaven. Zicht op de Bogen, de Turfsingel, de Vest, de Raam en de historische schepen. ‘Spa Rood en bitterballen zijn al besteld’ zegt mijn schoonzus. Ik denk alleen maar ‘Het leven is goed. Je kunt je ook in een WK78 shirt toch gelukkig en winnaar voelen’. Om er achteraan te denken ‘Zou Rensenbrink dat ook wel eens hebben gevoeld? Of zou hij zijn leven lang alleen aan de paal hebben gedacht.’

