Als kind leerde je dat je de vuile was niet buiten moet hangen.
Sommige minder fraaie zaken in de familie hoeven niet in het journaal of in de krant.
Niet alles hoeft aan de grote klok gehangen te worden.
Al leven sommige media er wel van.
Als kind weet ik nog hoe m’n oma de Story spelde en haar hoofd schudde “Wie had dat gedacht… Tjonge jonge… Erg he? Het is toch allemaal wat… Wist je dat…?”
Roddelbladen, roddelprogramma’s, gossip sites waren er nog niet in de zestiende eeuw.
Toch zegt de Heidelbergse Catechismus bij het negende gebod[i] dat ik…
tegen niemand valse getuigenis geve,
niemand zijn woorden verdraaie,
geen achterklapper of lasteraar zij,
niemand lichtelijk en onverhoord oordele of helpe veroordelen;
maar allerlei liegen en bedriegen,
als eigen werken des duivels, vermijde,
tenzij dat ik den zwaren toorn Gods op mij laden wil;
insgelijks, dat ik in het gericht en alle andere handelingen
de waarheid liefhebbe,
oprechtelijk spreke en belijde;
ook mijns naasten eer en goed gerucht
naar mijn vermogen voorsta en bevordere.
Vandaag moet ik aan dit antwoord denken.
“Sta ik naar vermogen de eer van mijn naaste na?”
“Bevorder ik nu zijn of haar eer?”
Of…
Ben ik eerder geneigd de ander naar beneden te halen?
Smul ik niet te veel van verhalen waarbij iedereen zijn of haar hoofd schut: “Wie had dat gedacht… Tjonge jonge… Erg he? Het is toch allemaal wat… Wist je dat…?”
Het zou mooi zijn als we in de kerk samen de vuile was in de wasmachine stopten.
Gereinigd.
Wit.
Onbevlekt.
[i] Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.
