In de put…

Preek over Jeremia 38:1-13 gehouden in de Hervormde Gemeente de Ark op/in Urk op 1 november 2026.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Daar zit je dan.
In de put…

Het kan zomaar gebeuren.
Ineens, plotseling.
Je hebt het niet aan zien komen.
Zelf had je ook heel andere plannen.
Maar plots… in de put.

Jeremia zit in de put.
Het is niet eens een put met water.
Er zit modder in.
Modder, je zakt erin weg…

Ik stel me zo voor dat je in ieder geval probeert overeind te blijven.
Maar het rare is…
Het lijkt wel of hoe meer je beweegt…
Hoe dieper je wegzakt.



Jeremia’s voeten vinden geen vaste grond.

Daar zit je dan.
Opgesloten.
Niemand die je helpt.

Misschien is dat laatste nog wel het ergste.

Je kunt in de put zitten.
Door ziekte.
Door verdriet.
Door verlies.
Door iets wat je overkomt.

Maar je kunt ook in de put zitten doordat andere mensen je erin hebben gegooid.

Dat is bij Jeremia het geval.

Weet je waarom?

Omdat hij Gods woorden heeft doorgegeven.

Dus niet omdat hij zijn werk niet goed gedaan heeft.
Niet omdat hij ongehoorzaam geweest is.

Integendeel!

Hij heeft gedaan wat de HEERE in hoofdstuk 1 al tegen hem zei: overal waarheen Ik u zenden zal, zult u gaan,
en alles wat Ik u gebieden zal, zult u spreken.

En de HEERE zei erbij:
8Wees niet bevreesd voor hen,
want Ik ben met u om u te redden…

Dat is het eerste wat je vanmorgen maar mee moet nemen:
Gehoorzaamheid aan God is geen garantie voor een gemakkelijk leven.

God heeft ons geen kalme vaart beloofd.
Maar Hij zegt wel: 8Wees niet bevreesd…
Ik ben met u…

Jeremia moet preken.

Niemand wil horen…


Hoe zit dat hier?

Jeruzalem wordt belegerd.
De Babyloniërs staan voor de poorten.
De stad is in gevaar.

Namens de HEERE zegt Jeremia dan:
(2) Wie in deze stad blijft, zal door het zwaard, door de honger of door de pest sterven, maar wie vertrekt naar de Chaldeeën, zal in leven blijven. Hij zal zijn leven tot buit hebben en in leven blijven.

Zo zegt de HEERE: Deze stad zal zeker in de hand van het leger van de koning van Babel worden gegeven. Dat zal haar innemen.

Het klinkt niet bepaald als op een oproep om tot de laatste man door te vechten.

Jeremia zegt dus niet: “Hup mannen, neem je posten in. Zet je schrap. Doe je best. Vecht en bid dat God zal zorgen…”.

De leiders vinden het daarom een soort van verraad.

Ze denken: Jeremia ontmoedigt het volk.
Ze denken: Jeremia ondermijnt het moreel van de soldaten.

Dus gaan ze naar koning Zedekia.

(4) Laat deze man toch ter dood gebracht worden, want zo ontmoedigt hij de strijdbare mannen die in deze stad zijn overgebleven, en ontmoedigt hij heel het volk door zulke woorden tot hen te spreken. Deze man zoekt immers niet het welzijn voor dit volk, maar het onheil.

De prediker, de profeet staat er niet best op.

Hoe is dat bij de koning?
Hoe reageert hij?

Nou, hij neemt het niet voor Jeremia op.
Hij antwoordt (vers 5): Zie, hij is in uw hand, want de koning zou niets tegen u kunnen beginnen.

Eigenlijk zegt hij:
Doe maar wat jullie willen.
Ik kan toch niets tegen jullie beginnen.

Wat een koning!

Wel een kroon op zijn hoofd, maar geen ruggengraat in zijn lijf.

Jeremia wordt in de put gegooid.

Weet je wat mij opvalt?

Ze zijn wel druk in de weer, maar niemand lijkt echt geïnteresseerd in de boodschap van Jeremia.
Niet in de betekenis van de woorden van Jeremia die woorden van God zijn.

Erg vind ik dat.


We zitten vanmorgen in hoofdstuk 38.
Jeremia preekt al jaren.
Maar blijkbaar tegen dovemans oren.

Zijn boodschap bevalt niet.
“Laat maar praten, die prediker”.

Dat lijkt me nog altijd een gevaar.
Ook in de kerk.

Ook in de kerk kunnen we zo bezig zijn met de vraag of de boodschap ons aanspreekt… maar ondertussen vergeten dat een gezant van God aan het Woord is.

Ook wij horen graag dat alles goed komt.
Dat God ons kent en begrijpt.

Ook wij worden graag bevestigd in wat wij eigenlijk altijd al dachten.

Maar…
Wat als God iets anders tegen ons te zeggen heeft?
Wat als God ons door Zijn Woord tegenspreekt?

Jeremia moet preken, verkondigen dat Jeruzalem zichzelf niet redden kan.

De stad moet zich overgeven.

Daarin klinkt een boodschap die wij net zo goed liever niet horen.

Misschien hoor jij ook niet graag dat jij zelf niet redt.

Niet door vrome daden.
Al helemaal niet door aflaatjes…

Jij redt jezelf niet.
Je moet je overgeven…


Daarom leerde je vroeger al dat je drie dingen moet weten.

Eén: hoe groot mijn zonde en ellende zijn.
Twee: hoe ik van al mijn zonde en ellende verlost word.
Drie: hoe ik God voor die verlossing dankbaar zal zijn.

Het Evangelie is niet dat wij met wat hulp van boven onszelf wel uit de put kunnen trekken.

Het Evangelie is dat God mensen redt die reddeloos verloren zijn.

God redt mensen die zichzelf niet kunnen redden.

Terug naar Jeremia.
Daar zit hij dan.

In de modder.

Modder geeft geen houvast.
Je kunt er niet op staan.
Je kunt je er ook niet in afzetten.

Herken je het?

Je probeert van alles om overeind te blijven.
Je houdt je groot.
Tegen iedereen zeg je dat het wel goed gaat.

Maar ondertussen zak je weg.


Let eens op Paulus woorden in 2 Korinthe 4.

wij worden in alles verdrukt, maar niet in het nauw gebracht;
wij zijn in twijfel, maar niet vertwijfeld;

9wij worden vervolgd, maar niet verlaten;
neergeworpen, maar niet te gronde gericht.

10Wij dragen altijd het sterven van de Heere Jezus in het lichaam mee, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam openbaar wordt.

Let op.

Paulus zegt dus niet dat gelovigen nooit verdrukt worden.

Paulus zegt ook niet dat gelovigen nooit twijfelen.

Paulus zegt niet dat gelovigen nooit vervolgd worden.

Paulus zegt ook niet dat gelovigen nooit neergeworpen worden.

Met andere woorden. Hij zegt dus niet dat wij, dat jij nooit in de put terechtkomt.

Hij zegt wel: wij worden, jij wordt nooit door God verlaten.

Dat is toch ons houvast?
Dat Hij ons vasthoudt.

Je enige houvast in leven en sterven.
Hij houdt vast.

Ons houvast?
Hij houdt vast!

En dan verschijnt Ebed-Melech in de geschiedenis.

Ebed-Melech.

De Cusjiet, een van de hovelingen die toen in het huis van de koning was.

Een buitenlander.
Cusj bevond zich in de regio Nubië, wat tegenwoordig het zuiden van Egypte en het noorden van Soedan is.


Een man van wie we verder niet zoveel weten.

Zijn naam betekent: dienaar van de koning.

Hij blijkt vooral een dienaar van de Koning met een hoofdletter K.

Hij hoort wat er met Jeremia is gebeurd.

En hij doet iets.

Hij doet iets.

Dat klinkt simpel, eenvoudig.
Maar het is het absoluut niet.

Want Ebed-Melech gaat tegen de stroom in.

Hij stapt naar de koning.
Hij zegt dat de hoge heren verkeerd hebben gehandeld.

(9) Mijn heer de koning, deze mannen hebben slecht gehandeld in alles wat zij de profeet Jeremia hebben aangedaan, die zij in de put geworpen hebben, terwijl hij ter plekke zou kunnen sterven van de honger, want er is geen brood meer in de stad.

Hij noemt het beestje bij de naam.
Hij noemt het kwaad gewoon kwaad.

Dat is moedig.

Hij probeert in ieder geval niet naar boven te likken en naar beneden te trappen.

En dan gebeurt er iets onverwachts, ongedachts.

De koning draait en geeft toestemming om Jeremia uit de put te halen.

10. Neem van hier dertig man onder uw bevel, en trek de profeet Jeremia uit de put omhoog, voordat hij sterft.

Ebed-Melech krijgt manschappen mee.

Vervolgens haalt hij niet alleen touwen.

Hij neemt ook versleten kleren en versleten lompen mee.

Hij roept tegen Jeremia:

Doe deze versleten kleren en lompen toch onder uw oksels, en daaronder de touwen.

Zo snijden de touwen niet Jeremia’s lichaam.

Er zit een man in een put, die dreigt te sterven.
En Ebed-Melech denkt aan zijn oksels!

Dat is barmhartigheid.

Niet alleen iemand redden.
Ook rekening houden met pijn.

Niet alleen het grote.
Ook de kleine zorg.

Soms kun je denken dat je voor een ander iets groots moet doen.

Maar misschien begint het wel met iets kleins.

Met een bezoek.

Met een telefoontje, een appje.

Met iemand die niet vraagt hoe het gaat, om vervolgens meteen over zichzelf te beginnen.

Ebed-Melech houdt geen preek over naastenliefde.

Hij doet het.
Metterdaad. Met de daad.

Daarmee is hij een instrument in Gods hand.

Vanmorgen stuur ik je niet naar huis met alleen de opdracht de komende week op Ebed-Melech te lijken.

Niet daar iets mis mee is, een Ebed-Melech voor elk ander te zijn.

Integendeel.

Luther zei nadat hij gezegd had: Een christen is in vrijheid heer van alle dingen en niemands onderdaan.

2. Een christen is in dienstbaarheid knecht van alle dingen en ieders onderdaan.

Een Ebed-Melech, dienaar, knecht van de Koning.
Ook jij mag je afvragen: wie kan ik deze week, mag ik deze week dienen?

Jeremia kan zichzelf niet redden.
Nu is het enige dat hij kan: armen omhoog.
Overgeven en zich laten trekken.

Daarin zie ik Evangelie, gemeente.

De bruidsgemeente van Jezus Christus zegt met Hooglied:

Trek mij mee, wij zullen achter U aan snellen (1:4a).


Aan de Galaten schrijft Paulus:
1:3genade zij u en vrede van God de Vader en van onze Heere Jezus Christus,

4Die Zichzelf gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons zou ontrukken (trekken! – gjg) aan de tegenwoordige slechte wereld, overeenkomstig de wil van onze God en Vader.

De Bijbel leert ons dat de redding van buiten onszelf moet komen en komt!

Wij redden onszelf niet uit de modder van onze zonde.

Hoe harder we proberen onszelf rechtvaardig te maken voor God, hoe meer we dat ontdekken.


Het wordt Kerst.
Jezus wordt geboren.
Jezus waarvan de engel al zei:
Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden.

Wij worden zalig door Hem alleen.

Niet doordat je zelf dit of dat presteert.

Niet doordat Hij vanaf de rand van de put roept:
“Doe goed je best”
“Kom op! Ga ervoor…”.


Nee, Hij daalt af in onze verdorvenheid.
In onze verlorenheid.

Tot in de diepte van het oordeel.

Tot in de dood.
Jouw dood, mijn dood.

Van Corrie ten Boom leerde ik: ‘Er is geen put zo diep, dat Gods genade niet nóg dieper is’.


Aan het kruis draagt Hij wat ons van God scheidt.

Op de derde dag staat Hij op.
Pasen.

Daarom is er redding.

Niet omdat wij ons omhoogwerken.

Of ons aan Hem (door Hem) omhoogwerken.

Maar omdat Hij afdaalt.


Hij is de vaste grond van ons behoud.

Het gaat niet om wat jij moet.
Het gaat om wat Hij doet!

Dat is het Evangelie.

Jezus alleen en helemaal.

Jeremia wordt uit de put gehaald.

Maar het volmaakte is nog niet gekomen.

Ons gedeelte van vandaag eindigt met de woorden:
En Jeremia verbleef op het binnenplein van de wacht.

God redt hem uit de modder, maar niet uit alle moeilijkheden.

Daarin zit voor ons wellicht ook een les.

Wij zouden graag zien en willen alle moeilijkheden, alle problemen direct, meteen verdwijnen.

Dat ziekten genezen.

Dat het verdriet ophoudt.

Geen oorlog, geen ruzie.

De toekomst overzichtelijk.

Maar…
Helaas, zo gaat het niet altijd.

Jeremia wordt gered, maar de omstandigheden blijven moeilijk.

En toch…
Hij ervaart.
Hij gelooft… God is trouw.

Dat is niet goedkoop.

Voor mij is de les dat Gods trouw niet afhangt van de vraag of mijn leven verloopt zoals ik het graag zou willen.

Gods trouw blijkt namelijk daarin dat Hij Zijn belofte houdt.

Aan Jeremia had de HEERE immers beloofd:

“Wees niet bevreesd (…), want Ik ben met u (…).”


Ook als mensen vijandig gezind zijn.

Ook als ze hem in de put gooien.

God houdt Zijn woord.

Gemeente, misschien zit je vandaag in een put.

Misschien weet niemand ervan.

Misschien heb je er zelf geen woorden meer voor.

Dan wil ik je niet vertellen dat jij jezelf er uit moet vechten, eruit moet worstelen.

Ik wil je wijzen op Jezus Christus alleen.

Op Hem die de dood heeft overwonnen.
Hij beloofde, belooft: ‘Ik ben met U’.

Misschien ben je vandaag niet degene die in de put zit.

Misschien ben je degene die een touw kan laten zakken.

Doe het dan.

Wacht niet tot iemand anders het doet.

Hoe het zij, onthoud allemaal dit:

Jeremia’s redding begint niet bij zijn eigen kracht.

Zijn redding begint bij Gods trouw.

In Jezus Christus heeft die trouw haar diepste vervulling gekregen.

Daarom zegt Paulus:

Neergeworpen, maar niet te gronde gericht.

Niet omdat hij zo’n sterke gelovige is.
Maar omdat zijn Zaligmaker leeft.

Hij laat niet los wat Zijn hand begon.


Ons houvast, Hij houdt vast.
Zelfs in de put.

Zelfs wanneer wij geen vaste grond meer voelen.

Ons leven ligt niet onze prestaties.
Niet in ons geloofsgevoel.
Niet in onze moed.

Maar ons leven ligt in Zijn doorboorde handen.
In Zijn eeuwige armen.

En die zijn sterk genoeg!
Ook voor jou.

Amen.

Categorieën Preken

Geef een reactie

search previous next tag category expand menu location phone mail time cart zoom edit close