‘Ik ben Mark! Geen euro’ is mijn fysio. Van alle therapeuten is hij degene die het meest mijn leeftijd nadert. Daarbij is hij man. Maar belangrijker: ‘baliekluivers, kortoren, langoren en sleuteldragers’ zijn reuzeaardig, maar het is wel fijn iemand uit het ‘wilde westen’ te ontmoeten. Mark komt namelijk van oorsprong uit Schoonhoven. Dat is dan wel geen Gouda, maar het begint erop te lijken.
Schoonhoven ligt ten westen van de A2. In Vreeswijk merkte ik dat mensen ten oosten van de A2 verschillen van het hen die ten westen van de A2 leven en kerken. Net zo goed als mensen in het noorden weer anders zijn dan mensen in het zuiden. Maar goed, Mark is dus van de Zilverstad. Buiten dat heeft hij het voorrecht gehad vakantiewerk bij de Unichema[i] in Gouda te doen. Hij kent Gouda en nog belangrijker: hij kent de Korte Akkeren. Hij is dus een zeer bevoorrecht mens, al blijft hij er nuchter onder.
Als ik op de hometrainer met beeldscherm virtueel door Gouda fietst, weet hij waar vroeger ‘platenzaak Nobel’ zat. Verbaasd en verwonderd roep ik uit: ‘Kom er eens om…’.
Mark is bij aankomst benieuwd naar wat voor ‘vogel’ ik ben. Mark is kerkelijk opgevoed, maar niet meer kerkelijk meelevend. Hij is benieuwd ‘wat voor zware doorgezakte predikant hij zal ontmoeten’. Gesprekken tijdens de behandelingen kunnen immers heel moeizaam worden en ontaarden in vijandigheden.
Onze gesprekken zijn echter eerder vriendschappelijk dan vijandig. Ik kan alles aan Mark vertellen. Ik ben denk ik bij hem het meest ‘Gertjan’. Ik vertel hem dus bijna alles. Zelfs domme dingen. Mark vertelt op zijn beurt weer hoe het geloof en het geloven wegebde. ‘Op een gegeven moment was ik klaar met geloven. De kerk’. Van wat hij zegt herken ik veel van vrienden. Zij vertelden mij hetzelfde: ‘Je irriteert je aan mensen in de kerk. Dan aan de vormen en uiteindelijk kieper je alles overboord. Ik ben er helemaal klaar mee’. Waarbij ik altijd denk: ‘Gelukkig zegt God dat nooit’.
Mark vindt het heerlijk een beetje te plagen en te provoceren. Hij doet mij een beetje denken aan Stoffel uit Woutertje Pieterse. Hij zou ook met een zeer ernstig gezicht ‘Wij zijn zoogdieren’ kunnen zeggen. Zoals ik om Stoffel moest lachen, moet ik om Mark lachen. Hij heeft humor, is open en recht voor z’n raap.
Bij toerbeurt ‘moeten’ de therapeuten aanwezig zijn bij het ontbijt. Als Mark de beurt heeft, is hij nadrukkelijk aanwezig. Ik houd ’s morgens van stilte. ‘Mijn dochters ook’, vertelt hij. Ik denk die dames te begrijpen.
Als ik in het begin naar de eetkamer loop, gaat hij achter me lopen en geeft hij duwtjes. Ik val – lopend met vierpoot – niet om. Wel leer ik zo mijn evenwicht te bewaren. Ik vind het wel grappig. Het doet me denken aan hoe ik als voorstopper tegen spitsen aanliep. In ieder geval word ik er niet zenuwachtig van. Ook niet als een jonge ergo van hem ook mag duwen. Zij schaamt zich mij te duwen. ‘Stel dat je omvalt…’.
Mark is ook kritisch en direct. Als ik hem vertel de hometrainer van ‘weerstand 50’ op ‘weerstand 10’ te hebben gezet, zonder dat de fietstherapeut het opmerkt, noemt hij dat een ‘typisch gereformeerde streek’. ‘Je hebt zeker ook stiekem een tv op zolder?’. In zijn beleving staat ‘gereformeerd’ blijkbaar synoniem aan ‘stiekem’. Beschaamd buig ik het hoofd.
Mark speelt gitaar. En doet dat verdienstelijk. Hij kan het veel beter dan ik, maar dat zeg ik natuurlijk niet. Hij moet tenslotte ook een beetje bescheiden blijven en heeft al zelfvertrouwen genoeg. Hij speelt ‘verfijnd’ gitaar, een beetje jazz-achtig. Op een dag haalt hij een gitaar voor mij en laat mij erop spelen: ‘Elke dag een kwartiertje en ook al klinkt het niet, toch spelen, oefenen’. Ik oefen nog steeds elke dag.
Bij het lopen met de stok roept hij iets dat mij doet denken aan een Doe Maar nummer van het album 4US. Het roept ook ‘Op je bek. Bam’ als ik voor het eerst door de gangen van de Hoogstraat op een tweewieler fiets. Gelukkig ‘bam’ ik niet en leg ik het hele rondje zonder vallen af. Daarmee verras ik hem positief, want aanvankelijk denkt hij dat een driewieler beter is voor mij dan een tweewieler.
Het leuke, of het fijne aan Mark vind ik dat bij hem de mens voor de therapie gaat. Als ik zin heb, de behoefte voel om te praten, gaat hij er ook echt voor zitten. Ook als ik ‘onzin’ bezig. Hij heeft een luisterend oor. Dat blijkt ook als een oud-revalidant plots binnen komt vallen en Mark aanspreekt. ‘Nog even en dan is de opname van de gemeente. Alle ongelovigen zullen dan de grote verdrukking in gaan’. Mark hoort het aan en bedankt de oud-revalidant vriendelijk. Ik vertel hem dat vanwege dit soort geluiden een aantal avonden voor het Hervormd Vreeswijk College zijn georganiseerd.
Behalve grappen en grollen hebben we dus ook serieuze gesprekken, Soms doen we dat als twee mensen in een mooie tuin. De één zegt ‘Dit is het werk van de Tuinman’, de ander zegt ‘Ik heb de Tuinman nog nooit gezien. Is er wel een Tuinman?’.
‘Ik ben Mark, geen euro’ is wat dat betreft wel Duits. Rationeel. Ook daarin lijkt hij op Stoffel. Hij zou iets Frans moeten hebben. Zei Fransman Blaise Pascal niet ‘Het hart heeft zijn redenen die de rede (het verstand) niet kent’.
[i] In 1853 richtte de firma “Schoneveld, Westerbaan en Co” een stearinekaarsenfabriek op, de ‘kaarsenfabriek’ die in 1899 zelfs de Koninklijke kaarsenfabriek werd. In 1929 fuseerde de fabriek met haar concurrent de Stearine Kaarsenfabriek Apollo te Schiedam. De nieuwe naam werd de N.V. Verenigde Stearine Kaarsenfabrieken Gouda-Apollo. Het bedrijf werd in 1960 overgenomen door Unilever-Emery N.V en ging in 1981 Unichema heten. In 1999 werd dat Uniqema. In 2006 werd Uniqema: Croda. Inmiddels heet ‘de stinkfabriek’ Cargill.

6 gedachten over “Mark! (Geen euro)”