Gods eer en heiligheid: Jezus

Preek 1 Samuel 6, gehouden in de Dorpskerk van Vreeswijk op 20 oktober 2019.

Gemeente van de Heere Jezus Christus,

Net als enkele weken geleden, toen we hoorden van de roeping van Samuel, belanden we dankzij onze kinderen weer bij de profetie van het eerste boek van Samuel.[i]

Ik weet niet hoe het u verging, bij het luisteren naar het zesde hoofdstuk van 1 Samuel, maar ik dacht tijdens de voorbereiding: “Het is toch wel een heel bijzondere geschiedenis”. Het heeft ook iets magisch, iets van een avonturenfilm.
Nu weet ik natuurlijk niet of u bekend met avonturenfilms, maar ik moest denken aan “Indiana Jones and the raiders of the lost Ark”.[ii] “Indiana Jones en de overvallers van de verloren ark”, waarin een professor in de jaren 30 van de vorige eeuw op zoek gaat naar de Bijbelse ark van het verbond[iii].
Allerlei magische gebeurtenissen overkomen daarbij de zoekende, stoere professor. En ik dacht… de maker van de film Steven Spielberg is natuurlijk bekend met de geschiedenis van Israël en het Bijbelboek 1 Samuel. Maar waar het écht om gaat, ook in dit Schriftgedeelte, is eigenlijk niet te filmen. Gods eer en Gods heiligheid zijn niet te filmen.

Vanmorgen wil ik met u stil staan bij drie zaken:

  1. Gods eer
  2. Gods heiligheid
  3. Jezus
  1. Gods eer

Het hoofdstuk begint met de mededeling dat de ark zeven maanden in het land van de Filistijnen is.
U kent vast de geschiedenis van hoe de ark in het land van de Filistijnen terecht kwam.
De strijders van het volk Israël had het een goed idee geleken om de ark op het strijdtoneel te brengen. “Laten wij vanuit Silo de ark van het verbond van de HEERE bij ons nemen, en laat die in ons midden komen, opdat die ons zal verlossen uit de hand van onze vijanden”hadden ze bedacht.[iv]

“Dan hebben we God in ons midden, wat kan ons dan gebeuren?” moeten ze gedacht hebben.
Ten diepste claimen ze God en spannen Hem voor hun eigen karretje.

Het is als met het “God wil het” voor de kruistochten.
Het is als met het “Gott mit uns” op de koppelriemen van het Duitse leger.[v] Alsof je God kunt claimen. Alsof je Hem voor jouw zaakje kunt spannen.

Het loopt uit op een fiasco. Ondanks de aanwezigheid van de ark wordt Israël verpletterend verslagen. 
Van het leger sterven dertigduizend man voetvolk. 
En de ark…
De ark wordt buitgemaakt. Hofni en Pinehas sterven.

Als die boodschap bij de blinde, 98-jarige Eli gebracht wordt, valt deze achterover en breekt hij zijn nek. Zijn schoondochter, de vrouw van Pinehas, krijgt van het bericht van de dood van haar man, zwager en schoonvader spontaan weeën en baart een zoon.
In haar verdriet noemt ze haar zoon Ikabod: de eer is weggevoerd uit Israël. De glorie van God is geweken.

Gods eer… weggevoerd.

Maar gelukkig eindigt daar de geschiedenis niet, want God zorgt Zelf voor Zijn eer.
Altijd goed om dat te beseffen.
God zorgt voor Zijn eigen eer.
Niet dat wij Hem niet hoeven te eren. Zo bedoel ik dat niet.
Maar, Hij staat Zelf in voor Zijn eer.
Dat is vandaag nog net zo…

Over hoe God aan Zijn eer komt in het land van de Filistijnen kunt u lezen in het voorgaande hoofdstuk, hoofdstuk 5.
Eerst wordt de ark – ongetwijfeld als overwinningstrofee – gebracht naar Asdod, waar de tempel staat van Dagon[vi].
Dagon is een vruchtbaarheidsgod, dus een god die voor de vruchtbaarheid zorgt: goede oogst, kinderen, voorspoed.

Welnu, in de tempel die er ter ere van Dagon staat in Asdod wordt de ark het eerst neergezet. En dat neerzetten zal vast met veel vreugde en vreugdegeschal gebeurd zijn. De overwonnen God van Israël in onze tempel.

Nou ja, van die God was wel geen beeld – ooit was er een gouden kalf gemaakt, maar dat was niet zo’n succes[vii] – er was wel geen beeld van, maar die God had wel iets met die ark te maken. Woonde hij erboven? Woonde Hij erin?
Hoe het ook zij, Hij was overwonnen en is nu van ons…

Maar als de inwoners de volgende dag in de tempel komen zien ze het beeld van Dagon languit op zijn gezicht liggen voor de ark…
Alsof in eerbied neerligt voor de God van Israël.
Alsof hij languit voor de God van Israël ligt.
Snel zetten de mensen het beeld van Dagon weer overeind.

Maar de volgende dag ligt hij weer voor de ark van de HEERE. Daarbij zijn hoofd en handen liggen op de drempel. 
Dagon heeft geen handen.
Dagon heeft geen hoofd.
Die handen en dat hoofd liggen op de drempel…
Ze zullen het beeld vast snel gelijmd hebben.
Hoofd er weer op, dan kan hij weer denken…
Handen er weer aan, dan kan hij weer handelen…

En dat is nog niet alles… Bleef het maar bij vallende beelden.
De mensen in Asdod en de omliggende gebieden krijgen op onverklaarbare wijze last van gezwellen. Sommige vertalers vertalen met “aambeien”.

De bevolking begint te lijden. Pijn, echt pijn.

Op een gegeven moment ontstaat bij de inwoners het vermoeden dat die gezwellen iets met de ark te maken hebben.
“Laat de ark van de God van Israël niet bij ons blijven, want Zijn hand drukt hard op ons en op Dagon, onze god.” [viii] zeggen ze in Asdod.Ze sturen boodschappers naar de stadsvorsten van de andere grote Filistijnse steden met de boodschap: Wat zullen wij met de ark van de God van Israël doen?”

Besloten wordt dan dat de ark naar Gath overgebracht zal worden. Maar zodra dat gebeurd is, krijgen de mensen in Gath, van klein tot groot, ook gezwellen.

Daarop wordt de ark van God naar Ekron gestuurd. Maar als de ark daar aankomt, beginnen de mensen in Ekron te schreeuwen: “Zij hebben de ark van de God van Israël naar mij overgebracht om mij en mijn volk te doden”.[ix]
De ark die al trofee was binnengehaald is nu iets dat ze niet in hun midden willen hebben. Weg met dat ding.

Weer worden de stadsvorsten van de Filistijnen geraadpleegd, en dan wordt besloten de ark van de God van Israël terug te sturen.
De schrijver van 1 Samuël vermeldt: “Er was namelijk een dodelijke verwarring in de hele stad; de hand van God drukte er zeer zwaar.

12De mensen die niet stierven, werden getroffen met gezwellen, zodat het hulpgeroep van de stad opsteeg naar de hemel.”

Een opmerkelijk gebeuren.
De Filistijnen merken dat er met God niet valt te spotten.
Dat al dat onheil heeft te maken met Zijn aanwezigheid.
Al dat onheil heeft te maken met de aanwezigheid van de ark.
En die ark brengt ongeluk en moet zo snel mogelijk weg.

Alleen… is zo terugsturen voldoende?
In vers 2 kunt u lezen dat de priester en de waarzeggers geraadpleegd worden: “Wat zullen wij met de ark van de HEERE doen? Laat ons weten waarmee wij hem naar zijn eigen plaats moeten terugsturen.”

En dan geven de priesters en de waarzeggers het advies om de ark niet zomaar terug te sturen, maar om dat gepaard te laten gaan met een schuldoffer.[x]
Een offer om het goed te maken.
“dan zult u genezen worden en zal u bekend zijn waarom Zijn hand niet van u wijkt.”
Het schuldoffer bestaat uit vijf gouden gezwellen en vijf gouden muizen. Vijf gouden gezwellen overeenkomstig het aantal stadsvorsten van de Filistijnen.

Vijf: één voor Asdod, één voor Gaza, één voor Askelon, één voor Gath en één voor Ekron.
En vijf gouden muizen. Blijkbaar had de HEERE ook voor een muizenplaag gezorgd.
Het doet denken aan de plagen en uittocht uit Egypte.
Ondertussen is het van belang – we hebben het over Gods eer – wat we lezen in vers 5: 5Maak beeldjes van uw gezwellen en beeldjes van uw muizen die het land te gronde richten, en geef eer aan de God van Israël. 

De God van Israël krijgt de eer en glorie. 
Opmerkelijk… de Filistijnen snappen dat…

In vers 6 leggen ze zelf de link met de uittocht uit Egypte. 

Dan wordt de ark op een nieuwe wagen – dus niet op een oud brik – maar op een gloednieuwe wagen gezet.
Voor de wagen worden twee zogende koeien – die nog nooit eerder dienstgedaan hebben, ze hebben nog nooit een juk gedragen – voor de wagen gezet. De koeien hebben dus nog geen dienst voor een mens gedaan en zijn zo volledig vrij om de HEERE te dienen.
Die koeien hebben ook nog eens net gekalfd en worden dus bij de kalfjes weggehaald.
Op de wagen worden naast de ark de gouden gezwellen en muizen in een kistje gezet, het schuldoffer.
En dan wordt de wagen naar Beth-Semes gedirigeerd.

De koeien zullen de natuurlijke drang gevoeld hebben om snel naar hun kalfjes te gaan.
Toch lopen ze regelrecht, in één spoor, naar Beth-Semes.
Ze doen het loeiend, maar wijken niet uit naar rechts of naar links. 

Van een afstand kijken de stadsvorsten van de Filistijnen toe of alles goed gaat.

De koeien lopen dus rechtstreeks naar Beth-Semes. 
Opmerkelijk. 
De HEERE is hier Zelf aan het werk. 
De natuur gehoorzaamt Hem.
De koeien gehoorzamen Hem.[xi]
Voor de koeien weegt het doen van de wil van de HEERE zwaarder dan het gemis van hun kalveren.
Wat je van de koeien kunt leren…

De inwoners van Beth-Semes zullen verbaasd gekeken hebben naar de loeiende koeien en de wagen.
Maar als zij de ark ontwaren zijn zij blij.
De koeien en de wagen blijven staan op de akker van ene Jozua, waar een grote steen ligt.

Nu is Beth-Semes een Levieten-stad, een priesterstad.[xii]
Vandaar dat de ark van de wagen gehaald wordt en de wagen wordt gekloofd en de koeien worden geofferd. De inwoners zijn immers Levieten en doen hun geestelijke werk.
Ze offeren. God wordt de eer gebracht.

De ark en het kistje met de gouden voorwerpen worden op de grote steen op het land van Jozua gezet.

En daarmee lijkt het verhaal ten einde.
Het brengt ons echter bij het tweede punt: 2. Gods heiligheid.

Want in plaats van een “zij dienden de Heere en zij leefden nog lang en gelukkig” loopt het verhaal anders.

Vers 19 “Maar de HEERE doodde sommigen van de mannen van Beth-Semes, omdat zij in de ark van de HEERE hadden gekeken. Hij doodde van het volk zeventig man van de vijftigduizend man. Beter: 70 man uit 50 families.
Toen bedreef het volk rouw, omdat de HEERE het volk een grote slag had toegebracht.

20Toen zeiden de mannen van Beth-Semes: Wie zou kunnen bestaan voor het aangezicht van de HEERE, deze heilige God? En naar wie van ons zal hij gaan?”

De ark is terug in Israël, maar het gaat eigenlijk meteen fout.
Er wordt in de ark gekeken. Uit nieuwsgierigheid?
Of is het omdat ze willen checken of God wel aan Zijn eer komt; heeft Hij goed gehandeld. Hij zorgde er immers Zelf voor dat de ark terugkwam. Maar deed Hij het goed?

God controleren op Zijn werk.
Daarbij wordt vergeten hoe Hij Zelf wil gediend worden.[xiii]

Wie God dient heeft te maken met Zijn heiligheid, met Zijn geboden en verboden. 
Zeventig mannen vinden de dood.

Het loopt uit op de roep: Wie zou kunnen bestaan voor het aangezicht van de HEERE, deze heilige God?
En dan gebeurt hetzelfde als in het land van de Filistijnen gebeurde. Ze willen af van de ark. God is gevaarlijk… Eng…

Vers 21: 21Zij stuurden boden naar de inwoners van Kirjath-Jearim om te zeggen: De Filistijnen hebben de ark van de HEERE teruggebracht; kom en haal hem op naar u toe.
71Toen kwamen de mannen van Kirjath-Jearim, haalden de arkvan de HEERE en brachten die in het huis van Abinadab, op de heuvel; en zij heiligden zijn zoon Eleazar om voor de ark van de HEERE zorg te dragen.

De ark gaat dus niet terug naar Silo.
Wellicht omdat Silo verwoest is.[xiv]

Maar triest is het allemaal wel.

“Wie zou kunnen bestaan voor het aangezicht van de HEERE, deze heilige God?”
Zeventig man vinden de dood.
En die zeventig waren – wat wij zouden zeggen – wellicht best vrome jongens. Het waren geen mannen die uit de kroeg geplukt met een dronken hoofd eens eventjes in de ark gingen kijken. “Lachen man…”
Nee, ik denk gewoon mensen zoals u en ik…
Maar ze sterven.

En dan schrik je.
En denk je: “Leven naar Gods eer, leven voor de heilige God?
Wie kan het?”

Als het om Gods eer gaat. 
Leef ik nu echt tot eer van Hem?
Of beroof ik Hem van Zijn eer?

God is de heilige.
De heiligheid van God vraagt eerbied.
Is eerbied mijn grondhouding?

Vorige week zondagavond werden we door Petrus opgeroepen om heilig te leven.
En ik vroeg: “Zal het lukken?” 

Vandaag zijn we een week verder.
Dus nu kan ik vragen: “Is het u gelukt?”

Moeten we niet eerlijk zeggen dat het ons gewoon niet lukt?
Dat ik het wel wil – nou ja meestal, vaak – maar dat het zo vaak fout gaat…

Moeten wij ook niet bekennen dat wij Hem niet altijd de eer geven die Hem toekomt?
Moeten we niet bekennen dat ook wij graag over God beschikken?
Dat wij Hem zomaar voor ons eigen karretje kunnen spannen?

Als ik daarover nadenk, dat slaat het mij om het hart.
Dan weet ik het niet meer.
Dan buig ik het hoofd en snap ik die vraag:
“Wie zou kunnen bestaan voor het aangezicht van de HEERE, deze heilige God?”

Maar ik zeg nu geen Amen!
Want het brengt ons bij het derde en laatste punt: Jezus!
Als ik het niet weer weet, dan gooi ik mijzelf op Jezus!

3. Jezus.
We lazen ook Filippenzen 2.
Ik ken er maar één die begrijpt wat Gods eer en heiligheid ten volle inhoudt: Jezus.
Hij heeft het niet als roof beschouwd aan God gelijk te zijn…
Hij mocht bij wijze van spreken wel in de ark kijken.

En toch… Hij heeft de gestalte van een slaaf aangenomen en is aan ons mensen gelijk geworden.
Om voor u, jou en mij te doen, wat we zelf niet konden en kunnen: leven tot eer van een heilig God.
Hij deed het voor u, voor jou.

En wij kunnen Hem geen groter eerbewijzen dan om Zijn Naam aan te roepen en Hem als zaligmaker te belijden: Jezus! Zaligmaker van vrome, nette kerkmensen…
Nee, Zaligmaker van zondaren.

Bij Hem moeten we zijn. Van Hem moeten we het hebben.

Eerder zei ik: God zorgt Zelf voor Zijn eer.
Hoe? Hij doet het door Jezus!
Daarom heeft God Hem ook bovenmate verhoogd en heeft Hem een Naam geschonken boven alle naam, 10opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen elke knie van hen die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn, 11en elke tong zou belijden dat Jezus Christus de Heere is, tot heerlijkheid van God de Vader.

O mocht ik U beminnen
gelijk Gij mij bemint,
laat heil’ge vrees van binnen
mij leiden als uw kind!

Amen


[i] Rooster ‘Vertel het maar’.
[ii] Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Raiders_of_the_Lost_Ark (d.d. 2019-10-19).
[iii] Zie ook https://nl.wikipedia.org/wiki/Ark_van_het_Verbond (d.d. 2019-10-19).
[iv] 1 Sam. 4:3.
[v] Zie bijvoorbeeld https://nl.wikipedia.org/wiki/Gott_mit_uns (d.d. 2019-10-19).
[vi] Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Dagan (d.d. 2019-10-19).
[vii] Exodus 32.
[viii] 1 Sam. 5:7.
[ix] 1 Sam. 5:10.
[x] Vgl. Lev. 5:1-6:7.
[xi] Vgl. Jes. 1:3.
[xii] Joz. 21:16; 1 Kron. 6:59.
[xiii] Vgl. Lev. 16.
[xiv] Vgl. Jer. 7:12-14, 26:6-9 en Ps. 78:60.

Categorieën:

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s