Averechtse liturgie

Preek van 21 juni 2020 over 1 Kor. 10:1-13 en Exodus 32, gehouden in de Dorpskerk van Vreeswijk-Nieuwegein.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Een gewaarschuwd mens telt voor twee.
Alhoewel, je kunt ook waarschuwingen weg wuiven…

En dan kun je met het Spreukenboek uitroepen: “Waarom heb ik niet geluisterd naar de wijze lessen die ik kreeg? Waarom vergat ik alle waarschuwingen? Ik stopte mijn oren dicht en deed alsof ik niets hoorde”.[i]

Ja, ik moest eraan denken toen ik sigaretten pakjes bekeek. Op die pakjes staan waarschuwingen als:
“Roken veroorzaakt 9 van de 10 gevallen van longkanker”.
“Roken veroorzaakt mond- en keelkanker”.
“Roken beschadigt uw longen”.
“Roken veroorzaakt hartaanvallen”.
“Roken verstopt uw slagaderen”.
“Roken vergroot de kans op blindheid”.

Maar of die waarschuwingen nu serieus genomen worden.
Soms kun je denken: “Ach wat… bangmakerij. Laat me lekker…”.

Waarschuwingen in de wind slaan.
U herkent dat vast wel.
Jij ook!
Papa of mama zeiden: “Niet doen. Pas op dat je niet…”
En je dacht: “Wat zeuren die ouders van mij toch altijd. Ze zien overal gevaren… Ik loop niet in zeven sloten gelijk…”
Of je denkt en zegt: “Mijn ouders? Ze zien overal leeuwen en beren. Ze zijn een beetje overbezorgd. Lief allemaal, maar overbezorgd… En soms ook erg overdreven”.
Zoals dokter Bastiaanse; de goede man leeft niet meer, tenminste niet hier op aarde. Maar toen ik een jaar of 14, 15 was zei hij: “Als je niet stopt met roken, dan haal je de 16 niet”. Ik ben toch 16 geworden.

Waarschuwingen.

Een waarschuwing die we als gemeente van Heere Jezus Christus niet in de wind mogen slaan, waarbij we dus NIET de schouders ophalen, is de waarschuwing die we vanmorgen lazen.

Wie denkt te staan, laat hij oppassen dat hij niet valt.[ii]

Paulus schrijft dit aan de gemeente in Korinthe.
Vorige week kwam deze gemeente ook even in beeld toen we het hadden over de kerk.
De gemeenteleden worden aangesproken als “de gemeente van God die in Korinthe is”“geheiligden in Christus Jezus” en “geroepen heiligen”.[iii]

Maar zo heilig blijken ze daar toch niet te zijn.
Ja, heiligverklaard! Niet op grond van hun eigen daden, maar op grond van het volbrachte werk van Jezus Christus.
Ondertussen…, zo heilig blijken ze niet te zijn.
Er is verdeeldheid in de gemeente.[iv]
Er is sprake van zedeloosheid en hoererij.[v]
Gemeenteleden die elkaar voor de wereldse rechter slepen.[vi]
Er zijn problemen in huwelijken.[vii]
Er is sprake van echtscheidingen.[viii]

Kortom: het lijkt wel een Hervormde gemeente, of een PKN-gemeente.

En dan schrijft Paulus:
1En ik wil niet, broeders, dat u er geen weet van hebt dat onze vaderen allen onder de wolk waren en allen door de zee zijn gegaan,
2en dat allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee,
3en allen hetzelfde geestelijke voedsel gegeten hebben,
4en allen dezelfde geestelijke drank gedronken hebben. Zij dronken namelijk uit een geestelijke rots, die hen volgde; en die rots was Christus.
5Maar in de meesten van hen heeft God geen welgevallen gehad, want zij zijn neergeveld in de woestijn.

Ik weet niet wat die woorden bij u oproepen, maar ik schrik daar wel geweldig van.
Dat je denkt: Stel je nou voor dat we wel elke zondag in de kerk komen, zeg twee keer, en dat we toch het beloofde land, het Koninkrijk nooit zullen bereiken.
Dat we uiteindelijk toch verloren gaan en voor eeuwig buiten zullen staan. 

Dat de Heere Jezus straks zal zeggen: “Ik ken u niet”.
Daar huiver je toch van?

Paulus vervolgt dan in vers 6:
6En deze dingen zijn gebeurd als voorbeelden voor ons, opdat wij niet zouden verlangen naar kwade dingen, zoals ook zij verlangd hebben.
7En word geen afgodendienaars zoals sommigen van hen, zoals geschreven staat: 
Het volk ging zitten om te eten en te drinken en zij stonden op om te feesten.

In deze verzen refereert Paulus aan de geschiedenis van het ‘gouden kalf’, Exodus 32. De geschiedenis die onze kinderen vanmorgen hoorden bij de kindernevendienst.
Het leek me niet wijs dit hele hoofdstuk met u te lezen, omdat het een lang gedeelte is en we nu juist afgesproken hadden “Niet te lange Schriftlezingen. Niet te veel coupletten… Want de mensen thuis kunnen er dan niet bijblijven. De aandacht verslapt…”

Maar misschien kunt vandaag of deze week, die geschiedenis eens doorlezen. Of navragen: Vertel nog eens, dat verhaal van vanmorgen…

In hoofdstuk 20 lezen we dat Mozes nadert tot de donkere wolk.[ix]
Vandaaruit spreekt de HEERE tot hem en krijgt hij allerlei wetten en voorschriften te horen. U kunt dat allemaal nalezen in de hoofdstukken 21 tot en met 31.

In hoofdstuk 24 staat daarbij de verbondssluiting.
Alleen Mozes mag de berg op en naderen tot de HEERE.[x]
De HEERE maakt het verbond.

Hoofdstuk 31 eindigt dan met de woorden:
18En toen de HEERE geëindigd had met hem te spreken op de berg Sinaï, gaf Hij Mozes de twee tafelen van de getuigenis, tafelen van steen, beschreven met de vinger van God.

Al die hoofdstukken lang, is het volk beneden.
En zij wachten.
En wachten duurt lang.
Zo lang dat het volk denkt: “Die Mozes, zou hij ook nog terugkeren?
Misschien is er iets gebeurd.
Misschien is hij gevallen of zo en ligt hij ergens in een ravijn.
En wij maar wachten…”

Wachten duurt lang.
Dat ervaren we nu ook allemaal met de corona maatregelen.
Het liefst wil je los.
Niks geen 1,5 meter.
Al die beperkingen.

Het volk gaat naar Aäron.
Aäron is de priester. 
De godsdienstige leider, nu Mozes er niet is.
En ze zeggen tegen hem: “Sta op, maak voor ons goden die vóór ons uit gaan, want die Mozes, de man die ons uit het land Egypte geleid heeft – wij weten niet wat er met hem gebeurd is.”

“Aäron, doe eens wat.
Neem je taak als priester nou eens serieus.
Zit daar nou niet de hele tijd te wachten.

Zit nou niet de hele tijd een beetje te zitten en te niksen, doe eens wat”.
“Maak ons goden.

Zichtbaar, tastbaar.
Die kunnen dan voorop de verdere reis”.

De vraag daarbij is: willen de Israëlieten nu een andere god? Of willen ze God anders?

God anders, in de zin van een God die je kunt zien.
Een God die je aan kan raken. Concreet! 
Maar ondertussen maakt het God klein…
Niets is kwetsender voor de HEERE dan dat Israël Hem vereert met een beeld dat hun bevalt en waarmee zij ‘uit de voeten’ kunnen. 

En ik dacht: lopen we dat gevaar in de kerk ook niet?
Dat we Hem scheppen naar ons beeld.
Ja, niet letterlijk: een stuk hout of metaal, dat we dan in de achtertuin zetten. Of huis, of in de kerk.
Maar toch een beeld…
Een beeld in ons hoofd.

Calvijn zei al dat ons hoofd, ons brein een fabriek van afgodsbeelden is.
Wat voor Godsbeelden zweven er al niet in onze hoofden.
Maar hoe vaak is dat beeld niet geschapen naar ons beeld.
Van een God die alles goed vindt en nergens een probleem van maakt tot een God die uiterst streng is en zout legt op elke slak.

Afgoden moeten worden goden af.
De God van Israël is beeldloos.
Zo beschermt Hij Zijn verborgenheid. 

Dat betekent ondertussen niet, dat er niets te zien mag zijn.
Al in Israël, in Exodus is er van alles te zien.
Een ark, die verwijst naar Gods heilige nabijheid. 
Maar die ark wordt niet aanbeden. Die ark is God niet…
Dat zullen Hofni en Pinehas later nog ontdekken.

God is niet in één beeld te vangen.
En al helemaal niet in een standbeeld.
Laat staan in een kalf…

Het volk heeft niet door, dat juist door een beeld van Hem te maken, zij zichzelf beroven van de verrassingen en wonderen die deze onvoorstelbare God doet.

Wat zal Aäron antwoorden?
Nee, mensen, jullie hebben het vanaf de berg allemaal zelf gehoord. Jullie beefden en jullie sidderden ervan?[xi]

Waarvan?
Nou, toen God de Tien Geboden gaf.
Hebben jullie niet gehoord: 3U zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.

4U zult voor uzelf geen beeld maken, geen enkele afbeelding van wat boven in de hemel, of beneden op de aarde of in het water onder de aarde is.
5U zult zich daarvoor niet neerbuigen, en die niet dienen?

Maar dat zegt Aäron niet.
Hij ziet die mensen voor hem staan en denkt: “Ja, ik wil natuurlijk ook geen ruzie…”

Hij wil de meute te vriend houden.
Hij bezwijkt onder de druk van het eisende volk. 
Een sterk leider is hij niet.
Later zal hij verontschuldigend tegen Mozes zeggen: “Ik gooide de sieraden in het vuur en toen kwam dat kalf eruit tevoorschijn” (vers 24). Rara, hoe kan het…

“Ruk de gouden ringen die uw vrouwen, uw zonen en uw dochters in hun oren hebben, af, en breng ze bij mij.”
En wat doet het volk?
3Toen rukte heel het volk de gouden ringen die ze in hun oren hadden, af en zij brachten ze bij Aäron.
Het volk doet het.
Ook al kost het hun hun gouden ringen.
Ze hebben het er van harte voor over.

Opmerkelijk. Je vraagt je af wat de opbrengst van de kerkbalans daar zou zijn.

Bij Bonhoeffer las ik: “Mensen hebben alles over voor een kerk die hen bevalt. Jammer genoeg vragen ze zich echter niet af of die kerk God ook bevalt”.

Aäron maakt van al het goud een gegoten kalf.
En de mensen roepen: “Dit zijn uw goden, Israël, die u uit het land Egypte geleid hebben.”

Ondertussen probeert Aäron nog te redden wat er te redden valt.
Probeert nog een beetje bij te sturen.
Een beetje leiding terug te pakken.
Hij bouwt er een altaar voor het kalf.
“Morgen is er een feest voor de HEERE!” roept hij.
Da’s opmerkelijk.
Aäron rept niet over goden… zoals het volk.
Maar spreekt van de HEERE.
De HEERE afgebeeld als gouden kalf.

Waar het volk spreekt over andere goden (eerste gebod), spreekt Aäron over God anders en daarvoor knielen (tweede gebod).

De volgende dag is het feest!
6Zij stonden de volgende dag vroeg op, brachten brandoffers en brachten ook dankoffers. Het volk ging daarna zitten om te eten en te drinken; vervolgens stonden zij op om uitbundig feest te vieren.

Boven de preek staat “Averechtse liturgie”.
De titel komt van ds. Andries Zoutendijk, die de preekschets voor deze zondag maakte.
Hij schrijft: “Het volk gaat ‘los’. De priester vindt het goed en regelt de nieuwe liturgie…”
Dat is wat er beneden gebeurt.
En ik denk dat de meeste mensen zich prima voelden bij die nieuwe liturgie. Een zichtbare, tastbare God is toch veel beter…, dan een onzichtbare, onbenaderbare…
Zeg dan ook niet te snel: domme, domme Israëlieten!
Sukkels!

Want misschien staat dat gouden kalf wel veel dichterbij dan wij doorhebben, of willen weten.
Misschien staat dat gouden kalf veel dichterbij dan wij voor lief willen hebben.

Is de vraag van onze tijd ook niet “Waar is God?”
Waar kan ik Hem aanwijzen?
Waar j kan ik Hem ervaren?
Waar is Hij te vinden? 
Waar wordt Hij tastbaar?

Waar kan ik God ontmoeten?
Ontmoet ik Hem hier wel in de kerk?
Het is zooooo saai. Preken, woorden… Allemaal zo irrelevant.
Nou ja, predikers mogen zich dat aantrekken.
Maar God is toch niet irrelevant?
U ervaart het misschien niet elke week, maar tegelijkertijd toch wel meer dan eens dat Hij er is.
En dat Hij spreekt door de woorden van een predikant heen.
Dat Hij spreekt als we zingen, of bidden, of als een tekst gedeclameerd wordt.
Dat Hij spreekt bij de Avondmaal.

Kijk, voor hen die buiten zijn, die de kerk nooit van binnen zien, werkt het anders.
Zij zeggen: God is niet aan te wijzen, dus irrelevant!
Wat heb je aan het geloof?”.
“Wat heb je aan die God van jullie?”.

Nou ja, als er een God is, laat ie dan snel zorgen dat de coronacrisis afgelopen is en daarna de stikstofproblemen en daarna dit en dat. 
Zodat we weer lekker veel geld kunnen verdienen en uitgeven.
Zodat we weer ‘gewoon’ kunnen vliegen, op vakantie kunnen gaan, weer 130 rijden op de rijksweg.
Zodat we lekker onze eigen gang kunnen gaan.
Zodat we kunnen doen waar we zelf zin in hebben

Zoiets…

Ik roep maar wat…

Beneden aan de voet van de berg wordt ook geroepen: “Kom op zeg. Averechtse liturgie… Niet zo negatief. We hebben toch brandoffers en dankoffers gebracht. Doe niet zo moeilijk. Feest mee! Gezellig!”

Boven op de berg gebeurt er ondertussen ook wat.
De HEERE begint te spreken tegen Mozes.
“Ga, daal af, want uw volk, dat u uit het land Egypte hebt geleid, 
heeft verderfelijk gehandeld. (…)
Zij zijn al snel afgeweken van de weg die Ik hun geboden had (…)
Het is een halsstarrig volk.
Nu dan, laat Mij begaan, zodat Mijn toorn tegen hen ontbrandt en Ik hen vernietig.
Dan zal Ik ú tot een groot volk maken.”

Mozes, de profeet, is in tegenstelling van Aäron de ware priester.
Hij denkt niet aan zichzelf… Hij denkt aan het volk.
Hij denkt aan de eer van God.
Hij brengt het volk bij God en God bij het volk.
Hij bidt!

“HEERE, waarom zou Uw toorn ontbranden tegen Uw volk.
U hebt hen toch met grote kracht en een sterke hand uit Egypte geleid?

Waarom zouden de Egyptenaren zeggen: die God van Israël heeft Zijn volk naar de woestijn gebracht om ze daar te vernietigen.
Denk aan Abraham, aan Izak en aan Israël, Uw dienaren, aan wie U bij Uzelf hebt gezworen en tot hen gesproken hebt: Ik zal uw nageslacht talrijk maken als de sterren aan de hemel, en dit hele land waarover Ik gesproken heb, zal Ik aan uw nageslacht geven, zodat zij het voor eeuwig in erfbezit nemen.”

God dreigt. 
Mozes pleit.

En in zijn pleiten houdt Mozes de HEERE zijn eigen woorden voor. 

U hebt het toch beloofd?
U hebt toch…
U zal toch…

En de HEERE?
Hij valt Mozes niet in de rede.
Hij luistert en laat zich “ompraten”.

14Toen kreeg de HEERE berouw over het kwaad dat Hij gesproken had Zijn volk te zullen aandoen.
Is dat niet een geweldige tekst, gemeente?
Als je een pen bij de hand hebt, zet er dan direct een uitroepteken naast.
Exodus 32:14. Zet er een dikke streep naast.

O nee, het is niet het einde van de geschiedenis.
Mozes zal naar beneden gaan, de stenen tafelen kapot gooien.
Hij zal het kalf verbranden, vermalen tot stof en op het water gooien, wat de Israëlieten daarna op moeten drinken.
De Levieten zullen op bevel van Mozes en de HEERE ongeveer drieduizend man doden.

Maar vers 14.
Toen kreeg de HEERE berouw…
Er gaat een kruis door het voornemen van God.
Het volk overtrad het verbond. Verbrak het verbond.
Maar Goddank was en is dat niet het laatste.

Mozes zal straks bidden “Wil toch hun zonde vergeven! Maar indien niet, schrap mij alstublieft uit Uw boek…”
Daar zal de HEERE niet op in gaan.
Waarom niet?
Omdat er een meerdere Mozes is.
Jezus Christus, die de zonden der wereld wegdraagt.
Dat is toch de genade: Wij worden niet weggeworpen, maar Hij, Jezus, draagt alles weg…

Die boodschap is in Korinthe verkondigd.
En van de brief die Paulus aan hen schrijft lazen we net tot en met vers 7.
Deze dingen zijn gebeurd als voorbeelden voor ons, opdat wij niet zouden verlangen naar kwade dingen, zoals ook zij verlangd hebben.

7Word geen afgodendienaars…
Paulus spoort in de volgende verzen verder aan:
8En laten wij geen hoererij bedrijven (…)
9En laten wij Christus niet verzoeken (…)
10En mor niet (…)
11Al deze dingen nu zijn hun overkomen als voorbeelden voor ons, en ze zijn beschreven tot waarschuwing voor ons, over wie het einde van de eeuwen gekomen is.
12Daarom, wie denkt te staan, laat hij oppassen dat hij niet valt.

Denk erom:
13Meer dan een menselijke verzoeking is u niet overkomen. 
En God is getrouw: Hij zal niet toelaten dat u verzocht wordt boven wat u aankunt, maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven om die te kunnen doorstaan.

Het is in vers 13 net of Paulus ook geschrokken is.

Waarvan?
Van zijn eigen woorden.
Hoezo?
Nou, het is alsof hij hetzelfde dacht als ik: “Stel je nou voor dat die Korinthiërs wel elke zondag in de kerk komen, en dat ze toch het beloofde land, het Koninkrijk nooit zullen bereiken.
Dat ze uiteindelijk toch verloren gaan en voor eeuwig buiten zullen staan. 
Dat de Heere Jezus straks tegen hen zal zeggen: “Ik ken u niet”.

Daarom schrijft hij God is getrouw: Hij zal niet toelaten dat u verzocht wordt boven wat u aankunt, maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven om die te kunnen doorstaan.

En hetzelfde zeg ik ook tegen u.
Tegen u.
Hier in de kerk, en thuis tegen u die meekijkt.
Misschien herkende u wel iets uit dat rijtje: afgodendienaars, hoererij (porneia), Christus verzoeken, morren.
Ik zeg u:
God is getrouw.
Hij zal niet toelaten dat u verzocht wordt boven wat u aankunt, maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven om die te kunnen doorstaan.

Zullen we daarom – als we verzocht worden – ook steeds weer vluchten naar de Heere Jezus. Zullen we bij Jezus blijven?

Zult u dat doen gemeente?
Zullen wij dat doen, gemeente?

Dan kan ik, dan kunnen wij des te beter danken met Paulus.
Met Paulus?
Ja, zoals hij dat doet in het eerste hoofdstuk:
4Ik dank mijn God altijd voor u, vanwege de genade van God die u gegeven is in Christus Jezus. (…)
8God zal u ook bevestigen tot het einde toe, zodat u onberispelijk zult zijn op de dag van onze Heere Jezus Christus.
9God is getrouw, door Wie u geroepen bent tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onze Heere.[xii]

Voor elke gelovige geldt: een onverbreekbare verbinding met Jezus Christus.
Voor alle gelovigen samen geldt: een onverbreekbare gemeenschap met elkaar door Jezus Christus. 

Het brengt ons bij de preken van vorige week.
Bij het hogepriesterlijke gebed en bij Zondag 21.

Een gewaarschuwd mens telt voor twee.
Maar meer dan de angst zal de liefde ons leven toch bepalen?
We zoeken toch niet de randjes op?
Nee, we willen dicht bij Jezus leven.

Leven van Zijn liefde.

En bidden:
Neig mijn hart (dat vaak zo dubbel is); Neig ons hart…
en voeg het saâm
 (maak het een; dat het niet verscheurd is)
Tot de vrees van Uwen Naam

Doorgrond mijn hart
En ken mijn weg o Heer.

Amen


[i] Spreuken 5:12-13.
[ii] 1 Kor. 10:12.
[iii] 1 Kor. 1:2.
[iv] 1 Kor. 1:10-17; 3:1-9.
[v] 1 Kor. 5:1-13.
[vi] 1 Kor. 6:1-11.
[vii] 1 Kor. 7:1-9.
[viii] 1 Kor. 7:10-16.
[ix] Ex. 20:21.
[x] Ex. 24:1 en 2.
[xi] Ex. 20:18.
[xii] 1 Kor. 1:4-9.

Categorieën:

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s