gerechtvaardigd!

Preek over Romeinen 5: 1-11 en artikel 23 van de NGB, gehouden in de Dorpskerk bij de dankzegging voor het Heilig Avondmaal op 13 november 2022

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Wat een geweldige zondag hebben we vandaag.

Zo moet het voor u ook voelen.
Nou ja, ‘moet’.
U moet natuurlijk helemaal niets.

Maar zo zal het bij u toch voelen.
Helemaal blij.

Dat kan bijna niet anders.

Het is zo’n zondag waarop je jubelend van vreugde, huppelend over de Dorpsstraat of de Molenstraat naar huis gaat. 

‘Hé, wie huppelen daar?’
‘O, die zijn van Hervormd Vreeswijk’.
‘Die zijn net naar de kerk geweest’.

Ze weten natuurlijk niet dat wij vandaag het avondmaal gevierd hebben.
Ook niet dat we die prachtige woorden uit de Romeinenbrief lazen.
Ook niet dat we ons geloof beleden met artikel 23 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis.

Maar de uitwerking van dat alles zien ze wel.

‘Kijk ze huppelen en jubelen…’

Dat artikel 23 kwam ook binnen, hè.

Het lijkt wel een ketterij…
Wij geloven dat onze zaligheid zich bevindt in de vergeving van onze zonden, vanwege Jezus Christus. 
Christus is onze rechtvaardigheid voor God
.
Daarom houden wij dit fundament altijd vast en geven we alle eer aan God, terwijl wij onszelf vernederen.
Dat wil zeggen, klein maken omdat Hij zo groot is! 

Wij belijden dat wij – als het om onze zaligheid gaat – het niet van onszelf verwachten of van onze goede daden.  
Nee, wij steunen alleen op de gehoorzaamheid van de gekruisigde Christus en rusten daarin.
 
Zijn gehoorzaamheid is onze gehoorzaamheid.
Zijn gerechtigheid is onze gerechtigheid.

Prachtig toch.
Vorige week dacht iemand misschien nog wel ‘Ik moet een goede vis worden. Ik moet een goede vis worden. Want ik wil uiteindelijk niet zoals die slechte vissen in de vurige oven gegooid worden vurige oven werpen; waar gejammer en tandengeknars zal zijn’.[i]

Jezus wil dat ook niet!
Daarom zei Hij: ‘Dan ga ik die vurige oven wel in…’

Golgotha!
Hij voor mij!

Hij Die Goede Vis!

Ik snap die christenen wel hoor, die in de Vroege Kerk snel een vis tekende in het zand in tijden van vervolging.

U kent het teken wel he?
Die vis…
In de jaren 90 hadden velen hem op de auto.
Je kon dan geen 130 rijden waar je honderd mocht.
Maar toch: die vis.

I-CH-TH-U-S

I (I)ΙησουςIèsousJezus
Χ (CH)ΧριστόςChristosChristus
Θ (TH)ΘεουTheouGods
Υ (U)ὙιόςHuioszoon
Σ (S)ΣωτήρSootèrredder


Zijn gehoorzaamheid is voldoende om al onze zonden te bedekken. 

Nou ja, dat te geloven geeft een opgeruimd gemoed.
Je geweten wordt bevrijdt van angst.
De angst van: ‘Doe ik het wel goed genoeg?’ 
‘Zal ik straks toch niet geweigerd worden aan de hemelpoort…?’
‘Ik heb dit niet goed gedaan…’
‘En dat…’

Zelfs van dat beklemmende ‘Dat vergeef ik mezelf nooit…!’

Zijn gehoorzaamheid is voldoende om al onze zonden te bedekken.

Wij geloven dat onze zaligheid zich bevindt in de vergeving van onze zonden, vanwege Jezus Christus
Christus is onze rechtvaardigheid voor God.

En het geeft ons de vrijmoedigheid om naar God toe te gaan. 
We mogen zomaar het heilige der heilige binnen gaan.
Spreken, praten met God.

Dat doen we.
We leggen ons hele leven aan Hem voor.

We kruipen niet meer weg voor Hem, zoals Adam ooit deed.
En jij misschien ook wel.

We proberen Hem niet te ontlopen, zoals ik ooit deed.
Weg van Hem lopen.

Nee we lopen op Hem aan.
Steeds weer.

We leven in de nauwe verbondenheid met Vader.

Vader!

God, de grote ontzagwekkende God noemen we niet allereerst de Almachtige, maar Vader.

We kunnen ons geluk eigenlijk niet op.
Daarom huppelen we dus naar huis.

We zijn gekocht en betaald.
Wij steunen alleen op de gehoorzaamheid van de gekruisigde Christus.
Zijn gehoorzaamheid is onze gehoorzaamheid.
Nog een keer:
Zijn gerechtigheid is mijn gerechtigheid.

En mijn zonden dan? 
Mijn mindere karaktereigenschappen?
Mijn tekortkomingen?
Mijn falen?

Hij nam het allemaal mee aan het kruis…

‘Het lijkt wel een ketterij’, zei ik net al.

Nou ja, zo is het wel ervaren.
De meneer die Artikel 23 schreef, zit daarom in de gevangenis.
Tegen die meneer wordt gezegd:

‘Wil je dat soort praatjes voor je houden’.
‘Wil jij nu snel je mond houden over die vrije genade’
‘Zeggen: “Christus is onze rechtvaardigheid voor God”, lekker makkelijk. Dan kun je en mag je alles. Dan is de beer los…
Je moet zelf rechtvaardig zijn…’

Ja, de critici hebben wel een punt.

Of toch niet?
Of toch wel?

Of toch niet?
Of toch wel?

Nietes.
Welles.

Denken wij ook vaak niet: ‘Ja, dat is allemaal mooi en aardig, dat kruis op Golgotha, maar je moet wel toegewijd leven’.
‘Heilig leven’.
‘Laten zien dat je echt gelooft…’


Ja, maar maken we daarmee de daden niet al te vaak tot een voorwaarde?
Durven wij vandaag eigenlijk nog wel te zeggen: 
‘Wij verwachten niets van onszelf of van onze goede daden.  
We steunen alleen op de gehoorzaamheid van de gekruisigde Christus en rusten daarin’.

Durven wij vandaag eigenlijk nog wel te zeggen:
Zijn gehoorzaamheid is onze gehoorzaamheid, als wij in Hem geloven’. 


Soms heb ik het idee dat we in de kerk het paard achter de wagen spannen.
Als een paard achter de wagen staat – in plaats van daarvoor – dan komt de wagen niet vooruit.
Dat hoef ik niet uit te leggen, toch.

Maar toch gebeurt het wel dat het paard achter de wagen gespannen wordt.
Dat er begonnen wordt met ‘heiliging’ in plaats van ‘rechtvaardiging’.

In de Heidelbergse Catechismus staat de Wet niet voor niets in het stuk van de Dankbaarheid.
De samenvatting van die Wet staat aan het begin, bij de Ellende.
Maar die Tien Geboden worden behandeld in het stuk van de Dankbaarheid, vanuit de gedachte dat die geboden geen voorwaarden zijn, maar een richtsnoer voor een dankbaar leven.
De ‘heiliging’ volgt de ‘rechtvaardiging’.

Soms denk ik dat als het gaat om ‘rechtvaardiging’ en ‘heiliging’ we drukker bezig kunnen zijn met de ‘heiliging’, dan dat we zielsgelukkig zijn met de ‘rechtvaardiging’.

Zijn we drukker met de ‘heiliging’, maar dan vooral met de ‘heiliging’ van andere mensen: ‘Leeft hij of zij wel zoals het hoort’.
En voordat je het weet, verdwijnt de vreugde over ‘de rechtvaardiging’, de vrijspraak naar de achtergrond.

En dan wordt er ook niet meer gehuppeld.
Noch op de Dorpsstraat, noch op de Molenstraat.
Somber gekeken, dat wel.
Ernstig gekeken, dat ook.
En ernstig gesproken: ‘’t Is toch allemaal wat vandaag de dag…’.

Terwijl wij allemaal toch weten dat als we tot het geloof komen, dat niet direct betekent dat ons hele leven gelijk voor 100% op orde is…

Goed, we moeten huppelend naar huis.

Paulus is aan het jubelen.
‘Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede bij God door onze Heere Jezus Christus’.
Het is de conclusie uit de voorgaande hoofdstukken.

Wij hebben ‘vrede bij God’.
Jij hebt het!

Waardoor?
Door je vrome daden?
Door je hoge ethische waarden en normen?

Nee, door onze Heere Jezus Christus!
Wiens dood wij vandaag ‘herdacht’ hebben, bij de tekenen van brood en wijn!

Wij hebben ‘vrede bij God’.
Dankzij Jezus, de Goede Vis.
Hij stierf (vers 6) voor goddelozen. 
Dat zijn wij!
Dat ben jij!

Toen wij vijanden waren (vers 10), heeft Hij – niet wij, niet jij – heeft Hij ons met God verzoend.

Hoeveel te meer zullen wij, nu wij verzoend zijn, behouden worden door Zijn leven.

En dan begint hij te roemen.

Dat is de lof verkondigen.
Prijzen!
Wij roemen in de hoop op de heerlijkheid van God.
Anders gezegd: Wij vertrouwen erop dat we eeuwig bij God zullen leven. Op dat vertrouwen mogen we trots zijn.
Of zoals de NBV vertaalt: ‘We mogen ons laten voorstaan op de hoop om in zijn luister te delen’.

En dat is niet alles:
Wij prijzen God ook in de verdrukkingen!
Als er tegenslag is en het leven pijn doet.

Waarom?
Omdat wij weten dat de verdrukking volharding teweegbrengt, en de volharding ondervinding en de ondervinding hoop.

In gewone taal.
We prijzen God ook als we het moeilijk hebben. Want door alle moeilijkheden leren we om vol te houden. 
En door vol te houden worden we sterk in ons geloof. 
En daardoor hebben we het vaste vertrouwen dat we eeuwig bij God zullen leven.


Ook huppelen dus in moeilijke tijden.

Omdat Hij is zoals Hij heet: ‘Ik ben erbij’.

Even tussen haken: gisteren zong ik dat lied het met allemaal oudere dames.
De meesten weduwe.

Maar die oudere dames zongen het allemaal uit volle borst mee: 
De toekomst is zeker, ja eindeloos goed.
‘Als ik eens moet sterven, als ik U ontmoet:
dan droogt U mijn tranen, U noemt zelfs mijn naam.
U blijft bij mij Jezus, laat mij niet gaan.

‘Ik ben die Ik ben’ is uw eeuwige naam.
Onnoembaar aanwezig deelt U mijn bestaan.
Hoe adembenemend, ontroerend dichtbij:
uw naam is ‘Ik ben’, en ‘Ik zal er zijn’.’

Daarover gaat het dus ook in Romeinen 5.

Roemen in de hoop.
Roemen in de verdrukking.
Roemen in de Vader (dat is vers 11) Wij roemen ook in God, door onze Heere Jezus Christus, door Wie wij nu de verzoening ontvangen hebben.

Wat een geweldige zondag hebben we vandaag.

Het is zo’n zondag waarop je jubelend van vreugde, huppelend over de Dorpsstraat of de Molenstraat naar huis gaat. 

O ja, weet u wie niet huppelend naar huis kon?

Dat is die man die Artikel 23 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis schreef.
Tegen die meneer wordt gezegd:
‘Wil je dat soort praatjes voor je houden’.
‘Wil jij nu snel je mond houden over die vrije genade’
‘Zeggen: “Christus is onze rechtvaardigheid voor God”, lekker makkelijk. Dan kun je en mag je alles. Dan is de beer los…
Je moet zelf rechtvaardig zijn…’

En nu zit hij in de gevangenis.
Hij schrijft een brief aan zijn vrouw Catharina.

En in die brief zie je Romeinen 5:3 en 4 voor je.
wij roemen ook in de verdrukkingen, omdat wij weten dat de verdrukking volharding teweegbrengt, en de volharding ondervinding en de ondervinding hoop

Hoor maar wat hij schrijft vanuit de gevangenis:
‘Ik bid mijn God dat Hij doorgaat met Zijn goedheid en Zijn vriendelijkheid te betonen. (…)
Ik heb ervaren dat Hij hen die op Hem hopen nimmer verlaat. Nooit had ik gedacht dat God zo goed zou zijn voor iemand zoals ik, een ellendig schepsel. 
Maar ik voel, ik ervaar de trouw van mijn Heere Jezus Christus.

Nu beoefen ik hetgeen ik zo vaak aan anderen gepreekt heb.
En ik moet bekennen, dat in vergelijking met hetgeen ik nu in de praktijk ervaar, ik gepreekt heb als een blinde over kleuren.

Ik heb hier in de gevangenis meer geleerd en meer vorderingen gemaakt, dan gedurende mijn hele leven daarvoor.

Zo is deze gevangenis een zeer goede leerschool.
De Heilige Geest Die mij is geschonken, ondersteunt mij.
De kracht van God wordt in mijn zwakheid volbracht’.

Een paar dagen later, op 31 mei 1567 wordt Guido de Bres, de opsteller van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, dus ook de schrijver van artikel 23 aan de galg gehangen en sterft de dood van een martelaar.

Indrukwekkend, vindt u niet?

Je hoort dezelfde verhalen vandaag vanuit de vervolgde Kerk.
En toch huppelen zij!
Toch roemen zij in de hoop.

Roemen in de verdrukking.
Roemen in de Vader (dat is vers 11) Wij roemen ook in God, door onze Heere Jezus Christus, door Wie wij nu de verzoening ontvangen hebben.

Wat een geweldige zondag hebben we vandaag.

Ere zij de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.

Amen


[i] Zie https://glismeijer.com/2022/11/08/een-glimp-van-het-einde/, d.d. 2022-11-12.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s