Verwerpingen Hoofdstuk 1 over de verkiezing
Verwerping 1
Verwerping van de dwaling: God heeft alleen mensen uitverkoren, die volharden in het geloof
Die leren: Dat de wil Gods van zalig te maken degenen, die zouden geloven
en in het geloof en de gehoorzaamheid des geloofs zouden volharden,
het ganse en gehele besluit van de verkiezing ter zaligheid is,
en dat er niets anders van dit besluit in het Woord Gods is geopenbaard.
Want dezen bedriegen de eenvoudigen,
en wederspreken klaarlijk de Heilige Schrift, die getuigt,
dat God niet alleen degenen, die geloven zullen, wil zalig maken,
maar dat Hij ook enige bepaalde mensen van eeuwigheid heeft uitverkoren,
welke Hij in den tijd, boven anderen, met het geloof in Christus
en met volstandigheid zou begiftigen; gelijk geschreven is:
Ik heb Uw Naam geopenbaard den mensen,
die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt (Joh. 17:6);
en: Er geloofden zovelen als er geordineerd waren tot het eeuwige leven (Hand. 13:48);
en: Hij heeft ons uitverkoren in Hem, vóór de grondlegging der wereld,
opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn, enz. (Ef. 1:4).
Dordt verwerpt de leer van hen die zeggen:
Dat Gods besluit om mensen zalig te maken die zouden geloven en in geloof en gehoorzaamheid zouden volharden, het volledige en enige besluit van de uitverkiezing tot zaligheid is. Volgens hen openbaart de Bijbel niets anders over dit besluit.
Volgens de Synode is dit niet waar.
Sterker, zulke opvattingen misleiden eenvoudige gelovigen en spreken de Heilige Schrift, de Bijbel tegen.
De Bijbel leert namelijk niet alleen dat God degenen wil redden die geloven, maar ook dat Hij van eeuwigheid af bepaalde mensen heeft uitgekozen. Aan hen schenkt Hij op Zijn tijd het geloof in Christus en de volharding daarin.
In de Bijbel staat:
“Ik heb uw naam bekendgemaakt aan de mensen die U Mij uit de wereld gegeven hebt” (Johannes 17:6).
En:
“en allen die voor het eeuwige leven bestemd waren kwamen tot geloof. “ (Handelingen 13:48).
En:
“In Christus immers heeft God, voordat de wereld gegrondvest werd, ons uitgekozen om heilig en zuiver voor Hem te staan,” (Efeziërs 1:4).
Daarom stelt de Synode dat Gods uitverkiezing niet alleen een besluit is om gelovigen te redden, maar ook een besluit waarbij God mensen uitkiest en hun geloof en volharding schenkt.
De Remonstranten geloofden wel in de uitverkiezing.
Alleen meenden zij dat de uitverkiezing niet over concrete mensen gaat.
Zij stellen: ‘wie gelooft is uitverkoren’.
De Dordtse Leerregels wijzen dit laatste niet af!!!
Ze gaan wel verder.Niet alleen ‘wie gelooft is uitverkoren’.
Maar ook ‘wie uitverkoren is gelooft’.
God verkiest concrete mensen.
Concrete mensen van vlees en bloed zoals jij en ik.
Concrete mensen gaan geloven en houden dat geloven vol tot het einde.
Niet omdat het van die volhouders zijn, maar omdat God het zo leidt.
Let op dat de kern van de Reformatie op het spel staat.
God heeft mij niet lief omdat ik geloof en volhardend ben.
God heeft mij lief vanwege Zijn liefdevolle hart.
Geloof, bekering, volharding zijn geen voorwaarde, maar gevolg.
Zaken die ik ontvang omdat Hij mij liefheeft.
Hij heeft mij lief.
Hij schenkt geloof, bekering en volharding.
Verwerping 2
Verwerping van de dwaling: Er zijn verschillende verkiezingen
Die leren: Dat de verkiezing Gods ten eeuwigen leven velerlei is:
de ene algemeen en onbepaald, de andere bijzonder en bepaald;
en dat deze wederom óf onvolkomen, herroepelijk,
niet-beslissend en voorwaardelijk is,
óf volkomen, onherroepelijk, beslissend en volstrekt.
Insgelijks: Dat er een andere verkiezing is tot het geloof,
een andere tot de zaligheid, alzo,
dat de verkiezing tot het rechtvaardigmakend geloof kan zijn
zonder de beslissende verkiezing ter zaligheid.
Want dit is een gedichtsel van des mensen hersenen,
buiten de Schrift uitgedacht,
waardoor de leer van de verkiezing verdorven,
en deze gulden keten van onze zaligheid verbroken wordt:
Die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen;
en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd;
en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt (Rom. 8:30).
De Synode verwerpt de leer van hen die zeggen:
Dat Gods uitverkiezing tot het eeuwige leven uit verschillende soorten bestaat.
Zo zou er een algemene en onbepaalde uitverkiezing zijn, en daarnaast een bijzondere en specifieke uitverkiezing.
Bovendien zou die bijzondere uitverkiezing soms onvolledig, herroepbaar, niet-definitief en afhankelijk van voorwaarden zijn, terwijl er ook een volledige, onherroepelijke, definitieve en onvoorwaardelijke uitverkiezing zou bestaan.
Ook leren de Remonstranten:
Dat er een onderscheid is tussen uitverkiezing tot geloof en uitverkiezing tot zaligheid.
Volgens hen kan iemand wel uitverkoren zijn om tot het rechtvaardigende geloof te komen, zonder dat die persoon ook definitief is uitverkoren tot de uiteindelijke zaligheid.
Volgens de Synode is dit geen Bijbelse leer, maar een menselijk bedenksel dat buiten de Bijbel om is bedacht.
Daardoor wordt de leer van de uitverkiezing vervormd en wordt de samenhang van Gods heilswerk verbroken.
De Bijbel leert namelijk dat Gods handelen één ononderbroken geheel vormt:
“ 0Wie Hij hiertoe heeft bestemd, heeft Hij ook geroepen; en wie Hij heeft geroepen, heeft Hij ook vrijgesproken; en wie Hij heeft vrijgesproken, heeft Hij ook laten delen in zijn luister.” (Romeinen 8:30).
Daarom stelt de Synode dat Gods uitverkiezing één geheel is: degenen die God uitkiest, roept Hij ook tot geloof, spreekt Hij vrij (rechtvaardigt Hij) en brengt Hij uiteindelijk tot de eeuwige heerlijkheid.
Weer wordt het ‘door het geloof alleen’ benadrukt.
Of anders gezegd ‘de zekerheid van het geloof’.
Er was van verschillende zijden kritiek op ‘door her geloof alleen’.
‘Die gereformeerden worden wel heel makkelijk zalig’ werd gezegd.
Daarbij, na eeuwenlang gewend te zijn aan ‘biechten en aflaatjes kopen’ , kortom aan ‘doen’, die wantrouwt de gereformeerde die zegt ‘gedaan’.
Of zegt: ‘Akkoord, maar je moet wel…’
Luther werd niet zomaar verketterd en in de ban gedaan.
Balthasar Gerards was een vrome man.
Vandaag zijn over het algemeen jihadisten vrome jongens.
Onthouden.
Zijn verkiezing is ‘volkomen, onherroepelijk, beslissend en volstrekt’.
Het wordt gezegd om jou op te beuren.
Opdat je gelooft.
Hoofd omhoog.
Hart naar boven.
Verwerping 3
Verwerping van de dwaling: Gehoorzaamheid aan God is de reden dat je zalig wordt
Die leren: Dat het welbehagen en voornemen Gods,
van hetwelk de Schrift in de leer van de verkiezing gewag maakt,
niet daarin bestaat, dat God enige bijzondere mensen boven anderen heeft uitverkoren;
maar daarin, dat God uit alle mogelijke voorwaarden
(onder welke ook zijn de werken der wet),
of uit de gehele orde van alle dingen,
de uit haar aard onverdienstelijke daad des geloofs
en zijn onvolmaakte gehoorzaamheid tot een voorwaarde der zaligheid heeft uitgekozen,
welke Hij voor een volkomen gehoorzaamheid genadiglijk zou hebben willen houden,
en der beloning des eeuwigen levens waardig achten.
Want met deze schadelijke dwaling wordt het welbehagen Gods
en de verdienste van Christus krachteloos gemaakt,
en de mensen door onnutte vragen van de waarheid der genadige rechtvaardigmaking
en van de eenvoudigheid der Schrift afgetrokken,
en deze uitspraak van den apostel van onwaarheid beschuldigd:
God heeft ons geroepen met een heilige roeping;
niet naar onze werken, maar naar Zijn eigen voornemen en genade,
die ons gegeven is in Christus Jezus vóór de tijden der eeuwen (2 Tim. 1:9).
De Synode verwerpt de leer van hen die zeggen:
Dat Gods welbehagen en voornemen, waarover de Bijbel spreekt in verband met de uitverkiezing, niet inhoudt dat God bepaalde mensen boven anderen heeft uitgekozen.
Volgens de Remonstranten bestaat Gods keuze erin dat Hij uit alle mogelijke voorwaarden voor redding — waaronder ook gehoorzaamheid aan de wet — juist het geloof en de daarbij behorende, onvolmaakte gehoorzaamheid heeft aangewezen als voorwaarde voor zaligheid.
God zou vervolgens dit geloof en deze gehoorzaamheid uit genade beschouwen alsof zij volmaakte gehoorzaamheid waren en daarom waardig achten om met het eeuwige leven beloond te worden.
Het klinkt wellicht niet verkeerd.
‘Doe je best, God doet de rest’.
Toch is het volgens de Synode is een schadelijke dwaling.
Zij maakt zowel (1) Gods vrije welbehagen als (2) het verlossingswerk van Christus krachteloos.
Bovendien leidt zij mensen af van de Bijbelse waarheid dat een mens uit genade wordt gerechtvaardigd, en van de eenvoudige boodschap van de Schrift.
De Synode stelt dat de uitspraak van de apostel Paulus tegengesproken wordt:
“H ij heeft ons gered en ons geroepen tot een heilige taak, niet op grond van onze daden, maar omdat Hij daartoe uit genade besloten had. Deze genade was ons al vóór alle tijden gegeven in Christus Jezus” (2 Timoteüs 1:9).
Daarom stelt de Synode dat Gods uitverkiezing niet bestaat uit het kiezen van geloof als een verdienstelijke voorwaarde voor redding.
De uitverkiezing is veeleer Gods vrije en genadige keuze van mensen in Christus, nog vóórdat zij iets hebben gedaan.
Redding berust uiteindelijk niet op de waarde van ons geloof of onze gehoorzaamheid, maar op Gods genade en op het werk van Christus.
Verwerping 3 voorkomt wettische prediking.
Of zou dat moeten voorkomen…
De ‘gevaarlijk dwaling’ is dat de daad van het geloof en de geloofsgehoorzaamheid grond van onze verkiezing zouden zijn.
Anders gezegd: dat ik met mijn geloof en met mijn geloofsgehoorzaamheid het eeuwige leven zou verdienen.
Dordt benadrukt: Jezus alleen en helemaal!
Verwerping 4
Verwerping van de dwaling: Toegewijd leven is een voorwaarde om door God verkozen te worden
Die leren: Dat in de verkiezing tot het geloof deze voorwaarde tevoren vereist wordt,
dat de mens het licht der natuur recht gebruike,
vroom zij, klein, nederig en ten eeuwigen leven geschikt,
gelijk alsof aan die dingen de verkiezing enigszins hing.
Want dit smaakt naar het gevoelen van Pelagius,
en strijdt tegen de leer des apostels, waar hij schrijft:
Wij hebben eertijds verkeerd in de begeerlijkheden onzes vleses,
doende den wil des vleses en der gedachten,
en wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen;
maar God, Die rijk is in barmhartigheid,
door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft,
ook toen wij dood waren door de misdaden,
heeft ons levend gemaakt met Christus; (uit genade zijt gij zalig geworden),
en heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus;
opdat Hij zou betonen in de toekomende eeuwen
den uitnemenden rijkdom Zijner genade,
door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus.
Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof,
en dat niet uit u, het is Gods gave;
niet uit de werken, opdat niemand roeme (Ef. 2:3-9).
De Synode verwerpt de leer van hen die zeggen:
Dat God mensen alleen tot het geloof uitkiest wanneer zij vooraf bepaalde eigenschappen bezitten.
Zo zou een mens eerst het natuurlijke verstand goed moeten gebruiken, vroom moeten leven, bescheiden en nederig moeten zijn en al enigszins geschikt moeten zijn voor het eeuwige leven.
Gods uitverkiezing hangt zo in zekere mate af van eigenschappen.
Volgens de Synode lijkt deze gedachte sterk op de leer van Pelagius, die ervan uitging dat de mens uit zichzelf een beslissende bijdrage kan leveren aan zijn redding.
Zij is echter in strijd met wat de apostel Paulus leert.
Paulus schrijft namelijk:
“3Eens leefden wij allen net als zij: wij volgden onze wereldse begeerten en alle aardse verlangens die in ons opkwamen en stonden van nature bloot aan Gods toorn, net als ieder ander. 4Maar omdat God zo barmhartig is en de liefde die Hij voor ons heeft opgevat zo groot, 5heeft Hij ons, terwijl wij allen dood waren door onze zonden, samen met Christus levend gemaakt. Door genade bent u gered! 6Hij heeft ons samen met Hem tot leven gewekt en ons een plaats gegeven in de hemelsferen, in Christus Jezus. 7Zo zal Hij, in de eeuwen die komen, laten zien hoe overweldigend rijk zijn genade is, hoe goed Hij voor ons is in Christus Jezus. 8Door die genade bent u nu immers gered, doordat u gelooft. Deze redding dankt u niet aan uzelf; ze is een geschenk van God 9en geen gevolg van uw daden. Niemand kan zich er dus op laten voorstaan.”(Efeziërs 2:3-9).
Daarom stelt de Synode dat Gods uitverkiezing niet gebaseerd is op eigenschappen of verdiensten die Hij vooraf in mensen aantreft.
Integendeel: God kiest mensen uit terwijl zij van nature zondig en geestelijk dood zijn. Hun redding berust volledig op zijn genade en niet op hun eigen vroomheid, nederigheid of geschiktheid.
In Verwerping 4 wordt dus benadrukt dat mijn zaligheid niet van mijn verstand, vroomheid of nederigheid afhangt.
Alsof Gods verkiezing ook maar enigszins van deze voorwaarden zou afhangen.
Nogmaals: Jezus alleen en helemaal!
De naam van Pelagius is ondertussen gevallen.
Ik vermoed dat bijna niemand in mijn wijk ooit van de man gehoord heeft.
Pelagius (ca. 360 tot 435) was een Britse monnik.
Er wordt wel verondersteld dat hij was gevormd in de cultuur van het Keltisch christendom.
Hij stelt dat de mens na de zondeval een vrije wil heeft.
Anders gezegd: hij ontkent de erfzonde.
Daarmee staat Pelagius lijnrecht tegenover zijn tijdgenoot Augustinus (354 – 430).
De Reformatie gaat in het spoor van Augustinus.
De gereformeerden van de 16e en 17e eeuw dus ook.
Augustinus onderscheidt voor gelovigen vier stadia.
Voor niet gelovigen gelden de eerste drie
1. Vóór de zondeval: Posse peccare et posse non peccare.
2. Na de zondeval: Non posse non peccare.
3. Dankzij Gods genade: Posse non peccare.
4. De volmaaktheid: . Non posse peccare.
Augustinus leert dat voor de zondeval de mens wel of niet kon zondigen.
Kort gezegd: voor de zondeval geldt Posse peccare et posse non peccare.
Na de zondeval kan de mens echter niet niet zondigen.
Na de zondeval geldt dus Non posse non peccare.
Niet dat er constant de gekste zondige dingen gebeuren, maar wie Gods wet als richtsnoer neemt of ‘liefhebben’ als richtsnoer neemt, kan na een minuut, een uur, een dag, een week, een maand, een jaar, een decennia merken dat dat niet altijd volledig lukt.
De menselijke wil is namelijk door de zondeval geknecht, waardoor we geneigd zijn tot het kwade.
Zo leert ook de Heidelbergse Catechismus in de Zondagen 2 tot en met 4.
Niet de meest populaire zondagen van de Catechismus.
Dankzij Gods genade is de mens na de val gelukkig wel in staat om goede dingen te doen.
Posse non peccare.
Uiteindelijk wekt God naar de volmaaktheid, het koninkrijk van God.
Dan zal gelden: Non posse peccare.
In de uiteindelijke volmaaktheid, de Toekomst met een grote T zal de mens niet meer kunnen zondigen.
Verwerping 5
Verwerping van de dwaling: God heeft mensen uitgekozen, van wie Hij wist dat ze zouden geloven
Die leren: Dat de onvolkomen en niet-beslissende verkiezing
van bijzondere personen ter zaligheid geschied is
uit het voorgezien geloof, bekering, heiligheid, godzaligheid,
die óf eerst begonnen, óf ook een tijdlang geduurd hebben;
maar dat de volkomen en beslissende verkiezing geschied is
uit de voorgeziene volharding tot het einde toe
in het geloof, bekering, heiligheid en godzaligheid;
en dat dit is de genadige en evangelische waardigheid,
om welker wille hij, die verkoren wordt,
waardiger is dan hij, die niet verkoren wordt;
en dat derhalve het geloof, de gehoorzaamheid des geloofs,
heiligheid, godzaligheid en volharding
niet zijn vruchten van de onveranderlijke verkiezing ter heerlijkheid,
maar dat het zijn voorwaarden, die tevoren vereist,
en als volbracht wezende voorzien zijn in degenen,
die ten volle verkoren zullen worden,
en oorzaken, zonder welke de onveranderlijke verkiezing ter heerlijkheid niet geschiedt.
Hetwelk strijdt tegen de gehele Schrift,
die deze en diergelijke uitspraken in onze oren en harten telkens inscherpt:
De verkiezing is niet uit de werken, maar uit den Roepende (Rom. 9:11).
Er geloofden zovelen, als er geordineerd waren tot het eeuwige leven (Hand. 13:48).
Hij heeft ons uitverkoren in Hem, opdat wij zouden heilig zijn (Ef. 1:4).
Gij hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren (Joh. 15:16).
Indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken (Rom. 11:6).
Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben,
maar dat Hij ons lief heeft gehad, en Zijn Zoon gezonden heeft (1 Joh. 4:10).
De Synode verwerpt de leer van hen die zeggen:
Dat Gods uitverkiezing van individuele mensen tot zaligheid gebaseerd is op wat Hij van tevoren in hen zag.
Volgens deze opvatting kiest God sommige mensen voorlopig uit omdat Hij vooraf ziet dat zij tot geloof komen, zich bekeren, heilig leven of godvruchtig zijn, al is dat nog maar een begin of duurt het slechts een tijd.
De definitieve en onherroepelijke uitverkiezing zou vervolgens gebaseerd zijn op Gods voorkennis dat deze mensen tot het einde toe zullen volharden in geloof, bekering, heiligheid en godsvrucht.
Daardoor zouden geloof, gehoorzaamheid, heiligheid, godsvrucht en volharding de reden zijn waarom iemand wordt uitverkoren. De uitverkorene zou dan waardiger zijn dan degene die niet wordt uitverkoren.
Volgens deze leer zijn geloof en heiligheid dus niet het gevolg van Gods uitverkiezing, maar voorwaarden die eerst aanwezig moeten zijn en die God van tevoren ziet bij degenen die Hij uiteindelijk uitkiest.
Zonder deze voorwaarden zou de uitverkiezing niet plaatsvinden.
Volgens de Synode is deze opvatting in strijd met de hele boodschap van de Schrift. De Bijbel leert juist dat geloof, bekering, heiligheid en volharding voortkomen uit Gods verkiezende genade.
Mijn geloof, mijn bekering, mijn heiligheid, mijn volharding zijn niet de grond van Gods verkiezende genade.
Daarom wijst de Synode op verschillende Bijbelteksten:
“God kiest een mens niet uit op grond van zijn daden, maar omdat Hij hem roept” (Romeinen 9:11).
“ en allen die voor het eeuwige leven bestemd waren kwamen tot geloof.” (Handelingen 13:48).
“In Christus immers heeft God, voordat de wereld gegrondvest werd, ons uitgekozen om heilig en zuiver voor Hem te staan, en vol liefde” (Efeziërs 1:4).
“ Jullie hebben niet Mij uitgekozen, maar Ik jullie” (Johannes 15:16).
“ Als ze uit genade uitgekozen zijn, dan dus niet op grond van hun daden, want in dat geval zou de genade geen genade meer zijn. “ (Romeinen 11:6).
“ Het wezenlijke van de liefde is niet dat wij God hebben liefgehad, maar dat Hij ons heeft liefgehad en zijn Zoon heeft gezonden om verzoening te brengen voor onze zonden ” (1 Johannes 4:10).
De Synode concludeert daarom dat Gods uitverkiezing niet gebaseerd is op vooruitgezien geloof of volharding.
Integendeel: geloof, bekering, heiligheid en volharding zijn juist gaven die voortkomen uit Gods vrije en onveranderlijke keuze.
God kiest mensen niet omdat zij geloven.
Zij geloven omdat God hen heeft uitgekozen.
Alles uit Hem!
Nog anders gezegd,
Het geloof, bekering, volharding is niet iets is wat ik zelf op moet zien te hoesten.
Ik hoef mijzelf niet als een baron von Münchhausen aan mijn haren uit het moeras van zonden en dood te trekken.
Ik hoef het geloof niet uit mijn tenen te halen…
Het wordt geschonken…
Verwerping 6
Verwerping van de dwaling: Uitverkorenen kunnen verloren gaan
Die leren: Dat niet alle verkiezing ter zaligheid onveranderlijk is;
maar dat sommige uitverkorenen,
niettegenstaande enig besluit Gods,
kunnen verloren gaan, en gaan ook eeuwiglijk verloren.
Met welke grove dwaling zij God veranderlijk maken,
en den troost der godzaligen,
dien zij scheppen uit de vastigheid van hun verkiezing, omstoten,
en de Heilige Schrift wederspreken, welke leert:
Dat de uitverkorenen niet kunnen verleid worden (Matth. 24:24);
dat Christus degenen, die Hem van den Vader gegeven zijn, niet verliest (Joh. 6:39);
en dat God, die Hij te voren verordineerd, geroepen en gerechtvaardigd heeft,
dezen ook heeft verheerlijkt (Rom. 8:30).
De Synode verwerpt de leer van hen die zeggen:
Dat Gods uitverkiezing tot zaligheid niet altijd onherroepelijk en onveranderlijk is. Volgens hen kunnen sommige mensen die door God zijn uitverkoren toch verloren gaan en uiteindelijk voor eeuwig verloren blijven, ondanks Gods besluit.
Volgens de Synode is dit een ernstige dwaling.
Zij maakt God veranderlijk, alsof Hij zijn besluiten zou kunnen herzien of laten mislukken. Bovendien neemt zij gelovigen de troost af die zij ontlenen aan de zekerheid van Gods uitverkiezing.
De Bijbel leert:
Dat de uitverkorenen uiteindelijk niet misleid kunnen worden (Matteüs 24:24).
Dat Christus niemand verliest van degenen die de Vader Hem heeft gegeven (Johannes 6:39).
Dat God degenen die Hij van tevoren heeft bestemd ook heeft geroepen, gerechtvaardigd en uiteindelijk verheerlijkt(Romeinen 8:30).
Daarom stelt de Synode dat Gods uitverkiezing vast en onveranderlijk is.
Wie God werkelijk heeft uitverkoren tot zaligheid, zal uiteindelijk niet verloren gaan.
Gods besluit faalt niet.
Christus verliest geen van de zijnen.
Allen die God heeft bestemd, geroepen en gerechtvaardigd, zullen uiteindelijk delen in de eeuwige heerlijkheid.
Soms heb je de ene dag meer geloofsvertrouwen dan de andere dag.
Soms doe je vrome dingen.
Soms heel onvrome.
Soms kun je denken: ‘Ik ben een goed christen’.
Soms denk je: ‘Ik christen…? O God, wees mij zondaar genadig!’
En toch.
De verkiezing is vast!
Omdat Gods beloften vast en zeker zijn.
Aan de Korinthiërs schrijft Paulus:
28wat in de ogen van de wereld onbeduidend is en wordt veracht, wat niets is, heeft God uitgekozen om wat wél iets is teniet te doen. 29Zo kan geen mens zich tegenover God op iets beroemen. 30Maar u bent door Hem één met Christus Jezus, die dankzij God onze wijsheid is geworden. In Christus zijn wij rechtvaardig en heilig, en in Hem zijn wij verlost, 31opdat het zal zijn zoals geschreven staat: ‘Wil iemand zich op iets beroemen, laat hij zich op de Heer beroemen.’
Dordt wil niet anders dan dat!
Verwerping 7
Verwerping van de dwaling: Je kunt niet weten of je bent uitverkoren
Die leren: Dat er in dit leven geen vrucht en geen gevoel is
van de onveranderlijke verkiezing ter heerlijkheid;
ook geen zekerheid,
dan die hangt aan een veranderlijke en onzekere voorwaarde.
Want behalve dat het ongerijmd is,
te stellen een onzekere zekerheid,
zo strijdt dit ook tegen de bevinding der heiligen,
die uit kracht van het gevoel van hun verkiezing zich met den apostel verheugen,
en deze weldaad Gods roemen;
die volgens Christus’ vermaning zich met de discipelen verblijden,
dat hun namen in den hemel geschreven zijn;
die ook het gevoel van hun verkiezing stellen
tegen de vurige pijlen van de aanvechtingen des duivels,
vragende: Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? (Rom. 8:33).
De Synode verwerpt de leer van hen die zeggen:
Dat een mens in dit leven geen enkele vrucht, ervaring of zekerheid kan hebben van Gods onveranderlijke uitverkiezing tot eeuwige heerlijkheid.
Volgens hen is er alleen een zekerheid die afhankelijk is van veranderlijke en onzekere voorwaarden.
Volgens de Synode is dit een tegenstrijdige gedachte, omdat een zekerheid die afhankelijk is van onzekere voorwaarden eigenlijk geen echte zekerheid is.
Daarnaast is deze opvatting volgens de Synode in strijd met de ervaring van gelovigen zoals die in de Bijbel wordt beschreven.
Gelovigen vinden juist vreugde in het besef dat God hen heeft uitgekozen.
Ze prijzen Hem ervoor.
Ook sluit wat de Remonstranten zeggen niet aan bij wat Jezus tegen zijn discipelen zei:
Dat zij zich mochten verheugen omdat hun namen in de hemel opgeschreven staan.
Verder gebruiken gelovigen volgens de Synode de zekerheid van Gods uitverkiezing als een bron van kracht wanneer zij worden aangevallen door twijfel of verleiding. Tegen zulke aanvallen mogen zij zich beroepen op Gods genade en zeggen:
“ Wie zal Gods uitverkorenen aanklagen? God zelf spreekt hen vrij. “ (Romeinen 8:33).
Een tekst die natuurlijk ook misbruikt kan worden.
In de loop der tijden is de tekst door individuele gereformeerden ook wel misbruikt.
Hoe het ook zij.
De Synode stelt dat gelovigen in dit leven wel degelijk een zekere troost en zekerheid kunnen ontvangen van hun uitverkiezing.
Die zekerheid berust niet op wisselende menselijke prestaties, maar op Gods betrouwbare beloften en op de vruchten van zijn werk in hun leven.
Een gelovige wantrouwt misschien zichzelf, maar niet God en Zijn Woord.
Juist in de aanvechting klampt hij of zij zich vast aan dat Woord.
En toch.
Toch weet ik zeker, vertrouw ik vast: “Mijn houvast, Hij houdt vast”.
Dat is geen ‘onzekere zekerheid’, maar ‘zekere zekerheid’.
Verwerping 8
Verwerping van de dwaling: God gaat niet bewust aan bepaalde mensen in hun zondige toestand voorbij
Die leren: Dat God van niemand
louter uit kracht van Zijn rechtvaardigen wil besloten heeft,
hem in den val van Adam en in den gemenen stand der zonde en verdoemenis te laten,
of in de mededeling van de genade,
die tot het geloof en de bekering nodig is, voorbij te gaan.
Want dit staat vast:
Hij ontfermt Zich, diens Hij wil, en verhardt, dien Hij wil (Rom. 9:18).
En ook dit: Het is u gegeven
de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen te weten,
maar dien is het niet gegeven (Matth. 13:11).
Insgelijks: Ik dank U, Vader, Heere des hemels en der aarde,
dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt,
en hebt derzelve den kinderkens geopenbaard.
Ja, Vader, want alzo is geweest het welbehagen voor U (Matth. 11:25-26).
De Synode verwerpt de leer van hen die zeggen:
Dat God nooit, uitsluitend op grond van zijn rechtvaardige wil, heeft besloten sommige mensen in de gevallen toestand van Adam en in hun staat van zonde en veroordeling te laten.
Zij ontkennen dat God aan bepaalde mensen de genade kan onthouden die nodig is om tot geloof en bekering te komen.
Volgens de Synode spreekt de Bijbel hier anders over.
Niet omdat God hardvochtig is…
De Bijbel leert dat God in zijn soevereiniteit vrij is om zijn ontferming te schenken aan wie Hij wil, en dat Hij anderen in hun verharding laat.
De Synode wijst naar de woorden van de apostel Paulus:
“ God is barmhartig voor wie Hij wil en maakt halsstarrig wie Hij wil. “ (Romeinen 9:18).
Ook zegt Jezus:
“ Het is jullie gegeven de geheimen van het koninkrijk van de hemel te kennen, maar hun niet.” (Matteüs 13:11).
En verder:
“Ik loof U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat U deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt gehouden, maar ze aan eenvoudige mensen hebt onthuld. 26Ja, Vader, zo heeft het U behaagd.” (Matteüs 11:25-26).
Daarom stelt de Synode dat God niet verplicht is iedereen dezelfde genade te schenken.
In zijn rechtvaardigheid laat Hij sommigen in hun zondige toestand, terwijl Hij anderen uit genade tot geloof en bekering brengt.
Volgens de Synode is dit niet in strijd met Gods rechtvaardigheid, maar een uitdrukking van zijn soevereine en vrije wil, zoals die in de Schrift wordt beschreven.
De Remonstranten vonden het een vreselijk idee dat God zomaar mensen zou ‘overslaan’ of in hun zonde zou laten.
Zij stelden dan ook dat God niet zomaar puur vanuit Zijn eigen wil aan mensen voorbijgaat.
De opstellers van de Leerregels zeggen hier: God is aan niemand verplicht om genade te geven.
Als Hij besluit om iemand géén geloof of bekering te schenken, dan is dat Zijn volkomen recht.
Het stuit ons wellicht tegen de borst.
Mij wel, want je wil niet dat iemand verloren gaat.
Vroeger als kind voelde ik mee met Abraham die bad voor Sodom
50, 45, 40, 30, 20, 10… (Genesis 18).
En toch: God doet geen onrecht.
Dat Hij de één wel redt (verkiest) en de ander voorbijgaat (verwerpt), is een mysterie dat volledig in Gods eigen vrije hand ligt.
Verwerping 9
Verwerping van de dwaling: Evangelieverkondiging vindt plaats omdat een volk beter is dan andere volken
Die leren: Dat de oorzaak,
waarom God tot het éne volk meer dan tot het andere het Evangelie zendt,
niet is louter en eniglijk het welbehagen Gods,
maar omdat het éne volk beter en waardiger is dan het andere,
aan hetwelk het Evangelie niet wordt medegedeeld.
Want dit ontkent Mozes, het Israëlietische volk aldus aansprekende:
Zie, des Heeren uws Gods is de hemel,
en de hemel der hemelen, de aarde, en al wat daarin is.
Alleenlijk heeft de HEERE lust gehad aan uw vaderen om die lief te hebben,
en heeft hun zaad na hen, ulieden, uit al de volken verkoren,
gelijk het te dezen dage is (Deut. 10:14-15);
En Christus: Wee u, Chorazin, wee u, Bethsaïda!
Want zo in Tyrus en Sidon de krachten waren geschied, die in u geschied zijn,
zij zouden zich eertijds in zak en as bekeerd hebben (Matth. 11:21).
De Synode verwerpt de leer van hen die zeggen:
Dat God het Evangelie aan het ene volk meer geeft dan aan het andere omdat dat volk beter of waardiger zou zijn.
Volgens deze opvatting ontvangen sommige volken het Evangelie vanwege hun eigen kwaliteit, terwijl andere volken het niet ontvangen omdat zij minderwaardig zouden zijn.
De Synode verwerpt deze gedachte.
Volgens Dordt leert de Bijbel juist dat de uiteindelijke reden hiervoor ligt in Gods vrije welbehagen en niet in de verdiensten van een volk.
Weer dus: geen verdienste, maar genade.
Het thema van de Reformatie.
Dordt wijst op de woorden van Mozes tegen Israël:
“ 4De HEER, aan wie de hoogste hemel toebehoort, en de aarde met alles wat daarop leeft, 15heeft toch alleen voor úw voorouders liefde opgevat en u, hun nazaten, verkozen boven alle volken, en zo is het nog steeds.” (Deuteronomium 10:14-15).
Ook verwijst zij naar de woorden van Jezus:
“ Wee Chorazin, wee Betsaïda, want als in Tyrus en Sidon de wonderen waren gebeurd die bij jullie gebeurd zijn, dan zouden de inwoners van die steden zich allang in een boetekleed gehuld en met stof bedekt hebben en tot inkeer gekomen zijn” (Matteüs 11:21).
Daarom stelt de Synode dat het niet de goedheid of waardigheid van een volk is die bepaalt waar het Evangelie komt.
Dat het ene volk het Evangelie ontvangt en het andere niet, is uiteindelijk te danken aan Gods vrije en genadige besluit.
Nooit vergeten: ‘Ik ben niet beter dan een ander’.
Je kunt alleen maar danken en uitroepen: ‘Waarom ik?’.
En zingen (al heb wellicht weinig of niets met de oude berijming)
Welzalig, dien Gij hebt verkoren,
Dien G’ uit al ’t aards gedruis
Doet naad’ren, en Uw heilstem horen,
Ja, wonen in Uw huis. (OB Psalm 65:2)
