Hoofdstuk 3 en 4 Verdorvenheid van de mens en bekering
Verwerping 1
Verwerping van de dwaling: De erfzonde alleen is niet genoeg om de mensheid te verdoemen
Die leren: Dat men eigenlijk niet zeggen kan,
dat de erfzonde in zichzelf genoegzaam is
om het ganse menselijke geslacht te verdoemen,
of om tijdelijke en eeuwige straffen te verdienen.
Want dezen wederspreken den apostel, die daar zegt:
Door één mens is de zonde in de wereld ingekomen, en door de zonde de dood;
en alzo is de dood tot alle mensen doorgegaan,
in welken allen gezondigd hebben (Rom. 5:12);
en: De schuld is uit één misdaad tot verdoemenis (Rom. 5:16);
en: De bezoldiging der zonde is de dood (Rom. 6:23).
De synode verwerpt de opvatting (dwaling) van hen die leren dat je eigenlijk niet kunt zeggen dat de erfzonde op zichzelf voldoende is om de hele mensheid te veroordelen of om tijdelijke en eeuwige straf te verdienen.
Volgens de synode spreken zij daarmee de apostel Paulus tegen.
Hij zegt:
“Daarom, zoals door één mens de zonde in de wereld is gekomen en door de zonde de dood, en de dood voor ieder mens is gekomen omdat ieder mens heeft gezondigd.” (Romeinen 5:12)
Ook zegt hij:
Vanwege “de overtreding van één mens alle mensen moesten sterven.” (Romeinen 5:16)
En verder:
“Het loon van de zonde is de dood.” (Romeinen 6:23)
De conclusie is daarom dat de erfzonde volgens de Bijbel voldoende is om de hele mensheid schuldig te stellen en aan Gods oordeel bloot te stellen.
De Zondagen 2, 3 en 4 van de Heidelbergse Catechismus leidden ook eind zestiende, begin zeventiende eeuw tot kritiek.
Coornhert, de Remonstranten verwierpen de ‘erfzonde’.
De Remonstranten wilden een revisie van de belijdenis…
Verwerping 2
Verwerping van de dwaling: Geestelijke gaven waren niet aanwezig in de menselijke wil
Die leren: Dat de geestelijke gaven,
of de goede hoedanigheden en deugden, als daar zijn:
goedheid, heiligheid, rechtvaardigheid,
in den wil des mensen, toen hij eerst geschapen werd, niet konden zijn,
en dat zij dienvolgens in zijn val daarvan niet hebben kunnen gescheiden worden.
Want zulks strijdt tegen de beschrijving van het evenbeeld Gods,
welke de apostel stelt, alwaar hij getuigt,
dat het bestaat in rechtvaardigheid en heiligheid,
welke beide ongetwijfeld in den wil hun plaats hebben.
De synode verwerpt de opvatting van hen die leren dat geestelijke gaven of goede eigenschappen, zoals goedheid, heiligheid en rechtvaardigheid, niet in de wil van de mens aanwezig waren toen God hem schiep.
Volgens deze opvatting kon de mens deze eigenschappen bij de zondeval dus ook niet verliezen.
Deze leer af is namelijk in strijd is met wat de apostel Paulus zegt over het beeld van God.
Paulus leert dat dit beeld van God bestaat uit rechtvaardigheid en heiligheid.
Die eigenschappen behoren ongetwijfeld tot de wil van de mens.
De conclusie is daarom dat de eerste mens deze geestelijke gaven bij de schepping werkelijk bezat en dat hij ze door de zondeval heeft verloren.
Bij Hoofdstuk 1, verwerping 4 schreef ik al over de vier stadia van Augustinus:
1. Vóór de zondeval: Posse peccare et posse non peccare.
2. Na de zondeval: Non posse non peccare.
3. Dankzij Gods genade: Posse non peccare.
4. De volmaaktheid: . Non posse peccare.
Verwerping 3
Verwerping van de dwaling: De vrije wil is door de zondeval niet aangetast
Die leren: Dat in den geestelijken dood de geestelijke gaven
niet van des mensen wil zijn gescheiden,
nademaal de wil in zichzelf nooit is verdorven geweest,
maar alleenlijk door de duisternis des verstands
en de ongeregeldheid der geneigdheden verhinderd;
en dat, deze verhinderingen weggenomen zijnde,
alsdan de wil zijn vrije aangeboren kracht zou in het werk kunnen stellen,
dat is: allerlei goed, hetwelk hem voorkomt,
uit zichzelf zou kunnen willen en verkiezen, of niet willen en niet verkiezen.
Dit is een nieuwigheid en dwaling, en strekt daartoe,
dat zij de krachten van den vrijen wil verheft;
tegen de uitspraak van den profeet: Arglistig is het hart,
meer dan enig ding, ja dodelijk is het (Jer. 17:9);
en des apostels: Onder dewelke (kinderen der ongehoorzaamheid),
ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden onzes vleses,
doende den wil des vleses en der gedachten (Ef. 2:3).
De Remonstranten meenden dat het ‘probleem’ van de mens in zijn verstand zit.
Ze stelden: “We begrijpen de geestelijke realiteit onvoldoende. Daardoor wordt onze wil door ons verstand verkeerd ingelicht”.
Echter als het verstand door Gods genade nieuwe inzichten krijgt, verlicht wordt, dan reageert de menselijke wil als vanzelf goed.
De Dordtse Leerregels benadrukken dat er naast onze onmacht om te geloven, ook onwil is.
Geestelijk doden willen niet geloven.
Er is sprake van onwil.
Daarom hebben we niet alleen verlichting van ons verstand nodig, maar ook verandering van onze wil.
“Niets is zo onbetrouwbaar als het hart, onverbeterlijk is het, wie zal het kennen?” (Jeremia 17:9)
“Eens leefden wij allen net als zij: wij volgden onze wereldse begeerten en alle aardse verlangens die in ons opkwamen en stonden van nature bloot aan Gods toorn, net als ieder ander.” (Efeze 2:3)
Verwerping 4
Verwerping van de dwaling: Onbekeerden zijn niet helemaal geestelijk dood en kunnen verlangen naar de gerechtigheid
Die leren: Dat de onwedergeboren mens niet eigenlijk noch geheellijk dood is in de zonde,
of ontbloot van alle krachten tot het geestelijk goed;
maar dat hij nog kan hongeren en dorsten naar de gerechtigheid en het leven,
en offeren een offerande eens verslagenen en gebrokenen geestes,
die Gode aangenaam is.
Want deze dingen strijden tegen de klare getuigenissen der Schrift:
Gij waart dood door de misdaden en de zonden (Ef. 2:1,5);
en: Al het gedichtsel der gedachten zijns harten
is ten allen dage alleenlijk boos (Gen. 6:5 en 8:21).
Daarenboven, hongeren en dorsten naar de verlossing uit de ellende, en naar het leven,
en Gode een offerande van een gebroken geest opofferen,
geldt eigenlijk van de wedergeborenen,
en van degenen die zalig genaamd worden.
De synode verwerpt de opvatting van hen die leren dat iemand die niet opnieuw geboren is (niet wedergeboren is) niet werkelijk en volledig geestelijk dood is door de zonde. Volgens deze opvatting zou zo iemand nog uit zichzelf het verlangen kunnen hebben naar gerechtigheid en eeuwig leven, en God een oprecht berouwvol hart kunnen aanbieden dat Hem welgevallig is.
De synode wijst deze leer af, omdat zij in strijd is met de duidelijke woorden van de Bijbel. Daar staat:
“U was dood door de misstappen en zonden.”
Hij heeft “ons, terwijl wij allen dood waren door onze zonden, samen met Christus levend gemaakt. Door genade bent u gered!” (Efeziërs 2:1, 5)
En ook:
“De HEER zag dat de mensen op aarde zeer slecht waren: alles wat ze uitdachten was steeds even slecht.”
“alles wat de mens uitdenkt, van zijn jeugd af aan, is nu eenmaal slecht.” (Genesis 6:5; 8:21)
Volgens de synode behoren het hongeren en dorsten naar verlossing en naar het leven, evenals het brengen van een gebroken en berouwvol hart aan God, niet tot de natuurlijke mogelijkheden van een onbekeerd mens.
Het zijn kenmerken van mensen die door God opnieuw geboren zijn en die door Hem zalig worden gemaakt.
Verwerping 5
Verwerping van de dwaling: De overgebleven gaven kan een mens gebruiken om bij het heil te komen
Die leren: Dat de verdorven en natuurlijke mens de gemene genade
(waardoor zij verstaan het licht der natuur), of de gaven,
hem na den val nog overgelaten,
zo wel gebruiken kan, dat hij door dat goed gebruik een meerdere,
namelijk de evangelische of zaligmakende genade
en de zaligheid zelf allengskens en bij trappen zou kunnen bekomen.
En dat in dezer voege God Zich van Zijn zijde betoont gereed te zijn,
om Christus aan alle mensen te openbaren,
naardien Hij de middelen, die tot de bekering nodig zijn,
genoegzaam en krachtig aan allen toedient.
Want benevens de ervaring van alle tijden
betuigt ook de Schrift dat zulks onwaarachtig is:
Hij maakt Jakob Zijn woorden bekend, Israël Zijn inzettingen en Zijn rechten.
Alzo heeft Hij geen volk gedaan; en Zijn rechten, die kennen zij niet (Ps. 147:19-20).
God heeft in de verleden tijden
al de heidenen laten wandelen in hun wegen (Hand. 14:16);
en: Zij (te weten Paulus met de zijnen) werden van den Heiligen Geest
verhinderd het Woord in Azië te spreken;
en aan Mysië gekomen zijnde, poogden zij naar Bithynië te reizen;
en de Geest liet het hun niet toe (Hand. 16:6-7).
De synode verwerpt de opvatting van hen die leren dat de gevallen, onbekeerde mens de algemene genade (waarmee zij het natuurlijke verstand of het ‘licht van de natuur’ bedoelen), of de gaven die na de zondeval zijn overgebleven, zo goed kan gebruiken dat hij daardoor stap voor stap een grotere genade ontvangt: eerst de genade van het evangelie, daarna de zaligmakende genade en uiteindelijk de zaligheid zelf.
Volgens deze opvatting zou God van Zijn kant bereid zijn om Christus aan alle mensen bekend te maken, omdat Hij aan iedereen voldoende en doeltreffende middelen geeft om tot bekering te komen.
De synode verwerpt deze leer, omdat zowel de ervaring als de Bijbel laten zien dat dit niet waar is.
De Bijbel zegt bijvoorbeeld:
“Hij maakt zijn woorden aan Jakob bekend,
zijn wetten en voorschriften aan Israël.
Met geen ander volk heeft Hij zich zo verbonden,
met zijn wetten zijn zij niet vertrouwd.” (Psalm 147:19-20)
En:
“Hij heeft in het verleden alle volken hun eigen weg laten gaan” (Handelingen 14:16)
Ook lezen we dat Paulus en zijn reisgenoten door de Heilige Geest werden verhinderd om het woord in de provincie Asia te verkondigen.
“Toen ze bij de grens van Mysië kwamen, wilden ze doorreizen naar Bitynië, maar dat stond de Geest van Jezus hun niet toe.” (Handelingen 16:6-7)
De conclusie van de synode is daarom dat de mens zich niet door een goed gebruik van zijn natuurlijke vermogens geleidelijk de zaligheid kan verwerven.
Ook is het niet zo dat God aan ieder mens op dezelfde manier voldoende middelen tot bekering en geloof geeft.
Het ontvangen van het evangelie en van het zaligmakende geloof is afhankelijk van Gods vrije en soevereine genade.
Verwerping 6
Verwerping van de dwaling: God geeft de macht om tot het geloof te komen, geloven doet een mens zelf
Die leren: Dat in de ware bekering des mensen
geen nieuwe hoedanigheden, krachten of gaven in den wil
door God kunnen ingestort worden,
en dat, overzulks het geloof, waardoor wij eerst bekeerd worden,
en waarvan wij gelovigen genoemd worden,
niet is een hoedanigheid of gave, van God ingestort,
maar alleen een daad des mensen,
en dat het niet anders kan gezegd worden een gave te zijn,
dan ten aanzien van de macht om tot hetzelve komen.
Want daarmede wederspreken zij de Heilige Schrift,
die getuigt dat God nieuwe hoedanigheden des geloofs,
der gehoorzaamheid en van het gevoel Zijner liefde in onze harten uitstort:
Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven (Jer. 31:33);
en: Ik zal water gieten op de dorstigen, en stromen op het droge;
Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten (Jes. 44:3);
en: De liefde Gods is in onze harten uitgestort door den Heiligen Geest,
Die ons gegeven is (Rom. 5:5).
Zulks strijdt ook tegen het standvastig gebruik der Kerk Gods,
dewelke bij den profeet aldus bidt: Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn (Jer. 31:18).
De synode verwerpt de opvatting van hen die leren dat God bij de bekering geen nieuwe eigenschappen, krachten of gaven in de wil van de mens geeft.
Volgens deze opvatting is het geloof, waardoor iemand tot bekering komt en een gelovige wordt, geen gave van God die Hij in de mens werkt.
Geloof zou alleen een menselijke keuze of handeling zijn.
Het wordt dan alleen een ‘gave van God’ genoemd, omdat God de mens de mogelijkheid geeft om te geloven.
De synode wijst deze leer af, omdat zij in strijd is met wat de Bijbel leert.
De Schrift zegt dat God zelf nieuwe geestelijke eigenschappen in het hart van mensen werkt.
Zo belooft God:
“Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en hem in hun hart schrijven. Dan zal Ik hun God zijn en zij mijn volk.” (Jeremia 31:33)
Ook zegt Hij:
“Ik zal water uitgieten op dorstige grond, waterstromen over het droge land. Ik zal mijn geest uitgieten over je nazaten en mijn zegen over je telgen.” (Jesaja 44:3)
En Paulus schrijft:
“Gods liefde (is) in ons hart is uitgegoten door de heilige Geest, die ons gegeven is.” (Romeinen 5:5)
Volgens de synode laat de Bijbel dus zien dat God niet alleen de mogelijkheid geeft om te geloven, maar ook het geloof zelf en andere geestelijke gaven in het hart van de mens werkt.
Deze opvatting past ook bij het gebed dat de kerk altijd heeft gebeden:
“Bekeer mij, dan zal ik bekeerd zijn.”
“Breng mij bij U terug, laat mij terugkeren” (Jeremia 31:18, HSV. NBV21)
De conclusie is daarom dat bekering en geloof uiteindelijk Gods werk zijn.
Een mens komt niet uit eigen kracht tot geloof, maar God vernieuwt het hart en schenkt het geloof.
Verwerping 7
Verwerping van de dwaling: Genade is niets anders dan zacht aandringen van God om je te bekeren
Die leren: Dat de genade, waardoor wij tot God bekeerd worden,
niet anders is dan een zachte aanrading;
of (gelijk anderen dit verklaren) dat dit de alleredelste manier van werking is
in de bekering des mensen, en die het best overeenkomt met de natuur des mensen,
welke door aanrading geschiedt; en dat er niets is,
waarom deze aanradende genade alleen niet zou genoegzaam zijn
om den natuurlijken mens geestelijk te maken;
ja, dat God niet anders de toestemming van den wil voortbrengt,
dan door deze wijze van aanrading;
en dat de kracht der Goddelijke werking,
waardoor zij de werking des satans te boven gaat,
hierin bestaat, dat God eeuwige, maar de satan tijdelijke goederen belooft.
Want dit is gans Pelagiaans en in strijdig tegen de gehele Heilige Schrift;
dewelke, behalve deze, nog een andere en veel krachtiger en Goddelijker manier
van werking des Heiligen Geestes in de bekering des mensen erkent;
gelijk bij Ezechiël: Ik zal u een nieuw hart geven,
en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u;
en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen,
en zal u een vlesen hart geven (Ez. 36:26).
De synode verwerpt de opvatting van hen die leren dat Gods genade bij de bekering niets anders is dan een vriendelijke aansporing of overtuigende uitnodiging om tot God te komen.
Sommigen zeggen dat dit de hoogste en beste manier is waarop God werkt, omdat die het beste aansluit bij de menselijke natuur.
Volgens hen is zo’n vriendelijke overtuiging voldoende om een onbekeerd mens geestelijk nieuw leven te geven.
Zij leren ook dat God de wil van de mens alleen op deze manier beweegt: door hem over te halen.
Het enige verschil met de invloed van de satan zou dan zijn dat God eeuwige beloningen belooft, terwijl de satan alleen tijdelijke voordelen aanbiedt.
De synode wijst deze leer af. Zij noemt haar pelagiaans, omdat zij de kracht van Gods genade te klein maakt en in strijd is met de hele Bijbel.
De Schrift leert namelijk dat de Heilige Geest bij de bekering veel krachtiger werkt dan alleen door een oproep of aansporing. God verandert de mens van binnenuit. Hij belooft:
“Ik zal jullie een nieuw hart en een nieuwe geest geven, Ik zal je versteende hart uit je lichaam halen en je er een levend hart voor in de plaats geven.” (Ezechiël 36:26)
De conclusie is daarom dat bekering niet alleen het gevolg is van Gods uitnodiging, maar van zijn krachtige werk in het hart van de mens.
God overtuigt niet alleen met woorden, maar vernieuwt de mens van binnenuit, zodat hij werkelijk tot geloof en bekering komt.
Verwerping 8
Verwerping van de dwaling: De wedergeboorte door God kun je als mens weerstaan
Die leren: Dat God zulke krachten Zijner almogendheid
in de wedergeboorte des mensen niet gebruikt,
waardoor Hij diens wil krachtiglijk en onfeilbaar zou buigen tot geloof en bekering;
maar dat, al de werkingen der genade volbracht zijnde,
dewelke God gebruikt om den mens te bekeren,
de mens nochtans Gode en den Heiligen Geest,
wanneer Hij zijn wedergeboorte voorheeft en hem wederbaren wil,
alzo kan wederstaan, en metterdaad ook dikwijls wederstaat,
dat hij zijns zelfs wedergeboorte ganselijk belet;
en dat het overzulks in zijn eigen macht blijft,
wedergeboren te worden of niet.
Want dit is anders niet, dan al de kracht van de genade Gods
in onze bekering wegnemen,
en de werking des almachtigen Gods aan den wil des mensen onderwerpen;
en dat tegen de apostelen, die leren:
dat wij geloven naar de werking der sterkte Zijner macht (Ef. 1:19);
en: dat God het welbehagen Zijner goedigheid,
en het werk des geloofs, in ons vervult met kracht (2 Thess. 1:11);
en: dat Zijn Goddelijke kracht ons alles,
wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft (2 Petr. 1:3).
De synode verwerpt de opvatting van hen die leren dat God bij de wedergeboorte niet zo krachtig werkt dat Hij de wil van de mens daadwerkelijk en zeker tot geloof en bekering brengt.
Volgens deze opvatting doet God wel alles wat nodig is om iemand tot bekering te brengen, maar kan de mens zich daar uiteindelijk toch tegen verzetten.
Sterker nog, hij kan Gods werk zo weerstaan dat zijn wedergeboorte helemaal niet doorgaat.
Of iemand wedergeboren wordt, zou uiteindelijk afhangen van zijn eigen keuze.
De synode wijst deze leer af.
Volgens haar ontneemt deze opvatting de genade van God haar kracht en maakt zij Gods werk afhankelijk van de wil van de mens.
De Bijbel leert juist dat God krachtig werkt in degenen die Hij tot geloof brengt.
Paulus schrijft over:
“hoe overweldigend groot de krachtige werking van Gods macht is voor ons die geloven.” (Efeziërs 1:19)
Ook schrijft hij:
“dat Hij door zijn kracht u de vaste wil geeft het goede te doen en u vanuit uw geloof al het mogelijke tot stand laat brengen.” (2 Thessalonicenzen 1:11)
En:
“Zijn goddelijke macht heeft ons alles geschonken wat nodig is voor een vroom leven, door de kennis van Hem die ons geroepen heeft door zijn majesteit en wonderbaarlijke kracht.” (2 Petrus 1:3)
De conclusie is daarom dat wedergeboorte uiteindelijk Gods werk is.
Wanneer God iemand door zijn Geest vernieuwt, doet Hij dat niet alleen door uit te nodigen of te overtuigen, maar ook door krachtig in het hart te werken.
Volgens de synode is Gods genade daarbij niet afhankelijk van de uiteindelijke toestemming van de mens, maar brengt zij daadwerkelijk tot geloof en bekering degenen die God wil redden.
Verwerping 9
Verwerping van de dwaling: De wil van de mens en Gods genade werken samen de bekering
Die leren: Dat de genade en de vrije wil gedeeltelijke oorzaken zijn,
die beide te zamen het begin van de bekering werken,
en dat de genade in orde van werking niet gaat vóór de werking van den wil;
dat is, dat God niet eer den wil des mensen krachtiglijk helpt tot de bekering,
dan wanneer de wil des mensen zichzelf beweegt en daartoe bepaalt.
Want de Oude Kerk heeft deze leer al overlang in de Pelagianen veroordeeld,
uit de woorden des apostels: Zo is het dan niet desgenen die wil,
noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods (Rom. 9:16).
Insgelijks: Wat onderscheidt u? En wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen? (1 Kor. 4:7);
en: Het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken,
naar Zijn welbehagen (Filipp. 2:13).
De synode verwerpt de opvatting van hen die leren dat Gods genade en de vrije wil van de mens samen het begin van de bekering tot stand brengen.
Volgens deze opvatting neemt God pas het initiatief om de mens krachtig te helpen, nadat de mens zelf heeft besloten zich tot God te keren.
De synode wijst deze leer af.
Zij stelt dat God niet wacht totdat de mens zelf de eerste stap zet.
Juist Gods genade is het begin van de bekering.
God brengt de mens ertoe om te willen geloven en zich tot Hem te keren.
Volgens de synode is de verworpen opvatting bovendien niet nieuw.
De christelijke kerk heeft haar al in de eerste eeuwen afgewezen als de leer van de Pelagianen.
De Bijbel zegt immers:
“Alles hangt dus af van God en zijn barmhartigheid, niet van de wil of de inspanning van de mens.” (Romeinen 9:16)
Ook schrijft Paulus:
“Wie denkt u wel dat u bent? Bezit u ook maar iets dat u niet geschonken is? Alles is u geschonken, dus waarom schept u dan op alsof u het zelf verworven hebt?” (1 Korinthe 4:7)
En:
“want het is God die zowel het willen als het handelen bij u teweegbrengt, omdat het Hem behaagt.” (Filippenzen 2:13)
De conclusie is daarom dat de bekering uiteindelijk begint bij God en niet bij de mens.
Dordt stelt dat het Gods genade is die het verlangen om te geloven én de kracht om te geloven in de mens werkt.
De mens bekeert zich werkelijk, maar alleen omdat God eerst in hem heeft gewerkt.
