DL Verwerpingen Hoofdstuk 5

Hoofdstuk 5   Volharding en zekerheid

Verwerping 1

Verwerping van de dwaling: Geloofsvolharding is een voorwaarde om te delen in de verkiezing

Die leren: Dat de volharding der ware gelovigen niet is een vrucht der verkiezing, 
of een gave Gods, door den dood van Christus verworven; 
maar een voorwaarde des nieuwen verbonds, 
die de mens vóór zijn beslissende (gelijk zij spreken) verkiezing en rechtvaardigmaking 
door zijn vrijen wil moet volbrengen.

Want de Heilige Schrift getuigt, dat zij uit de verkiezing volgt, 
en door de kracht des doods, der verrijzenis
en der voorbidding van Christus den uitverkorenen gegeven wordt: 
De uitverkorenen hebben het verkregen, en de anderen zijn verhard geworden (Rom. 11:7). 
Insgelijks: Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, 
maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, 
hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken? 
Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? 
God is het, Die rechtvaardig maakt. 
Wie is het, die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is; 
ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, 
Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt. 
Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? (Rom. 8:32-35).

In de eerste zin wordt de opvatting van hen die leren dat het volhouden in het geloof door echte gelovigen geen gevolg is van Gods verkiezing en ook geen gave van God is die Christus door zijn dood heeft verworven, verworpen.

Volgens Remonstranten is volharding juist een voorwaarde.

Een mens moet daar, uit eigen vrije wil, eerst voldoen voordat hij of zij – zoals zij het zeggen – definitief wordt uitverkoren en door God rechtvaardig wordt verklaard.

De Bijbel leert anders. 
Zij leert dat volharding voortkomt uit Gods verkiezing en dat God deze schenkt aan zijn uitverkorenen op grond van de kracht van Christus’ dood, opstanding en voortdurende voorspraak voor hen.

Daarom lezen we in Romeinen 11:7
“…het uitverkoren deel heeft het verkregen en de anderen zijn verhard.” (Romeinen 11:7)

En ook:
“Zal Hij, die zijn eigen Zoon niet heeft gespaard, maar Hem omwille van ons allen heeft prijsgegeven, ons dan met Hem ook niet alles schenken? Wie zal Gods uitverkorenen aanklagen? God zelf spreekt hen vrij.  Wie zal hen veroordelen? Christus Jezus, die gestorven is, meer nog, die is opgewekt, zit aan de rechterhand van God en pleit voor ons. Wat zal ons scheiden van de liefde van Christus?” (Romeinen 8:32-35)

De conclusie is daarom dat volharding in het geloof geen voorwaarde is om door God uitverkoren te worden, maar juist een gave die voortvloeit uit Gods verkiezing en uit het werk van Christus.

Verwerping 2

Verwerping van de dwaling: God geeft kracht, maar uiteindelijk bepaalt de gelovige of hij volhardt

Die leren: Dat God den gelovigen mens wel voorziet 
met genoegzame krachten om te volharden, 
en bereid is die in hem te bewaren, zo hij zijn plicht doet; 
doch al is het nu ook dat alle dingen, 
die nodig zijn om in het geloof te volharden, 
en die God gebruiken wil om het geloof te bewaren, 
in het werk gesteld zijn, 
dat het dan nog altijd hangt aan het believen van den wil,
dat deze volharde of niet volharde.

Want dit gevoelen bevat in zich een openbaar Pelagianisme; 
en terwijl het de mensen wil vrij maken, 
zo maakt het hen rovers van Gods eer; 
tegen de voortdurende overeenstemming der evangelische leer, 
die den mens alle stof van roemen beneemt, 
en den lof dezer weldaad aan de genade Gods alleen toeschrijft; 
en tegen de apostel, die getuigt: dat het God is, 
Die ons ook zal bevestigen tot het einde toe, 
om onstraffelijk te zijn in den dag van onzen Heere Jezus Christus (1 Kor. 1:8).

De opvatting van hen die leren dat God de gelovige wel voldoende kracht geeft om in het geloof te volharden en bereid is die kracht te blijven geven, zolang de gelovige zijn verantwoordelijkheid neemt, wordt afgewezen.

Ik herhaal: afgewezen!

Volgens de Remonstranten doet God alles wat nodig is om het geloof te bewaren en gebruikt Hij alle middelen die daarvoor nodig zijn. Maar uiteindelijk zou het toch afhangen van de eigen wil van de mens of hij werkelijk in het geloof blijft of niet.

Deze opvatting bevat volgens Dordt duidelijk een pelagiaanse gedachte.
 Zij wil de mens weliswaar vrijheid geven, maar ontneemt daarmee God de eer die Hem toekomt. 
Zij staat haaks op de boodschap van het evangelie, die alle reden tot eigen roem bij de mens wegneemt en alle eer voor deze genadegave aan God alleen geeft.

De apostel Paulus zegt immers:
“Hij is het ook die u tot het einde toe de zekerheid geeft dat u geen blaam zal treffen op de dag van onze Heer Jezus Christus.” (1 Korinthe 1:8)

De conclusie is daarom dat het volharden in het geloof uiteindelijk niet afhangt van de keuze of de wil van de mens, maar van Gods genadige en voortdurende werk, waardoor Hij zijn kinderen tot het einde toe bewaart.

Verwerping 3

Verwerping van de dwaling: Wedergeboren mensen kunnen afvallen van de zaligheid en verloren gaan

Die leren: Dat de ware gelovigen en wedergeborenen 
niet alleen van het rechtvaardigmakend geloof, insgelijks, 
van de genade en zaligheid ganselijk en tot het einde toe kunnen uitvallen, 
maar ook dikwijls metterdaad daarvan uitvallen en in der eeuwigheid verloren gaan.

Want deze mening maakt de genade, rechtvaardigmaking, 
wedergeboorte, en voortdurende bewaring van Christus krachteloos, 
tegen de uitgedrukte woorden des apostels Paulus: 
God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, 
als wij nog zondaars waren; veel meer dan, zijnde nu gerechtvaardigd door Zijn bloed, 
zullen wij door Hem behouden worden van den toorn (Rom. 5:8-9); 
en tegen den apostel Johannes: Een iegelijk die uit God geboren is, 
die doet de zonde niet; want Zijn zaad blijft in hem; 
en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren (1 Joh. 3:9); 
en ook tegen de woorden van Jezus Christus: 
Ik geef Mijn schapen het eeuwige leven; 
en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, 
en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken. 
Mijn Vader, Die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen, 
en niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders (Joh. 10:28-29).

De opvatting van dat echte gelovigen en mensen die opnieuw geboren zijn door God, niet alleen hun rechtvaardigend geloof, Gods genade en hun redding helemaal en definitief kunnen verliezen, maar dat dit ook daadwerkelijk gebeurt, waardoor zij uiteindelijk voor eeuwig verloren gaan, wordt verworpen.

Deze opvatting maakt volgens Dordt de kracht van Gods genade, de rechtvaardiging, de wedergeboorte en de voortdurende bewaring door Christus ongedaan. 
Zij is in strijd met wat de Bijbel duidelijk leert.

De apostel Paulus schrijft:
“Maar God bewijst ons zijn liefde, doordat Christus voor ons gestorven is toen wij nog zondaars waren. Des te zekerder is het dus dat wij, nu we door zijn dood zijn vrijgesproken, dankzij Hem gered zullen worden en niet veroordeeld.” (Romeinen 5:8-9)

Ook schrijft de apostel Johannes:
“Wie uit God geboren is zondigt niet, want Gods zaad is blijvend in hem. Zo iemand kán zelfs niet zondigen, want hij is uit God geboren.” (1 Johannes 3:9)
(Even tussen haken. De Statenvertalers zeggen 20 jaar later bij dit vers: “Dat is, die begeeft zich niet tot een kwaad en zondig leven; die laat de zonde over zich niet heersen. Want anderszins zo vallen ook de ware gelovigen somwijlen wel in zonden…”

Jezus zegt:
“Ik geef ze (Mijn schapen) eeuwig leven: ze zullen nooit verloren gaan en niemand zal ze uit mijn hand roven. Wat mijn Vader Mij gegeven heeft gaat alles te boven, niemand kan het uit de hand van mijn Vader roven”. (Johannes 10:28-29)

De conclusie is daarom dat wie werkelijk door God is wedergeboren en door het geloof met Christus verbonden is, niet uiteindelijk uit Gods genade kan vallen en verloren gaan. God zelf bewaart zijn kinderen tot het einde.

Verwerping 4

Verwerping van de dwaling: Ware gelovigen kunnen de zonde tegen de Heilige Geest begaan

Die leren: Dat de ware gelovigen en wedergeborenen kunnen zondigen 
de zonde tot den dood, of tegen den Heiligen Geest.

Dewijl dezelfde apostel Johannes, 
nadat hij in het vijfde hoofdstuk van zijn eersten Zendbrief, vers 16 en 17, 
van degenen, die tot den dood zondigen, gesproken had, 
en verboden had voor hen te bidden, terstond in het 18e vers daarbij voegt: 
Wij weten, dat een iegelijk die uit God geboren is; niet zondigt, 
(versta: met zulke zonde); maar die uit God geboren is, 
bewaart zichzelf, en de boze vat hem niet (1 Joh. 5:18).

De opvatting van hen die leren dat echte gelovigen en mensen die door God opnieuw geboren zijn, de zonde tegen de Heilige Geest kunnen begaan, de zonde die tot de dood leidt, wordt afgewezen.

De apostel Johannes spreekt in zijn eerste brief over mensen die een zonde begaan die tot de dood leidt en zegt dat er voor hen niet gebeden hoeft te worden (1 Johannes 5:16-17). Maar direct daarna voegt hij eraan toe:

“We weten dat iemand die uit God geboren is niet zondigt. Want wie uit God geboren is kan zichzelf beschermen, zodat het kwaad geen vat op hem heeft.” (1 Johannes 5:18)

Met “niet zondigt” wordt hier bedoeld: niet op zo’n manier dat hij de zonde tot de dood of de zonde tegen de Heilige Geest begaat.

De conclusie is daarom dat wie werkelijk uit God geboren is, door God wordt bewaard. Daardoor zal hij niet vervallen tot de zonde tegen de Heilige Geest, omdat de duivel uiteindelijk geen macht over hem krijgt.

Verwerping 5

Verwerping van de dwaling: Alleen door een bijzondere openbaring kun weten dat je volhardt in het geloof

Die leren: Dat men geen zekerheid van de toekomende volharding 
in dit leven kan hebben zonder bijzondere openbaring.

Want door deze leer wordt de vaste troost der ware gelovigen in dit leven weggenomen, 
en de twijfeling der pausgezinden in de Kerk weder ingevoerd; 
terwijl de Heilige Schrift deze zekerheid telkens afleidt, 
niet uit een bijzondere en buitengewone openbaring, 
maar uit de eigen merktekenen der kinderen Gods, 
en uit de zeer standvastige beloften Gods. 
Inzonderheid de apostel Paulus: 
Geen schepsel zal ons kunnen scheiden van de liefde Gods, 
welke is in Christus Jezus, onzen Heere (Rom. 8:39); 
en Johannes: Die Zijn geboden bewaart, blijft in Hem, 
en Hij in denzelve; en hieraan kennen wij, dat Hij in ons blijft, 
namelijk uit den Geest, Dien Hij ons gegeven heeft (1 Joh. 3:24).

De opvatting van hen die leren dat een gelovige in dit leven geen zekerheid kan hebben dat hij tot het einde zal volharden, tenzij God hem daarover een bijzondere of persoonlijke openbaring geeft, wordt afgewezen.

Volgens Dordt neemt deze opvatting de vaste troost weg die echte gelovigen in dit leven mogen hebben. Bovendien brengt zij opnieuw de onzekerheid terug die in de rooms-katholieke traditie over de zekerheid van het heil werd geleerd.

De Heilige Schrift leert namelijk dat deze zekerheid niet gebaseerd is op bijzondere of uitzonderlijke openbaringen.
Zij rust op twee dingen:

  • de kenmerken waaraan Gods kinderen zichzelf mogen herkennen;
  • de betrouwbare en onveranderlijke beloften van God.

Zo schrijft de apostel Paulus:
“hoogte noch diepte, of wat er ook maar in de schepping is, ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die Hij ons bewezen heeft in Christus Jezus, onze Heer.” (Romeinen 8:39)

En de apostel Johannes zegt:
“Wie zich aan zijn geboden houdt blijft in God, en God blijft in hem. Dat Hij in ons blijft, weten we door de Geest die Hij ons heeft gegeven.” (1 Johannes 3:24)

Die geboden heeft Johannes in het voorgaande vers genoemd:
“Dit is zijn gebod: dat we geloven in de naam van zijn Zoon Jezus Christus en elkaar liefhebben, zoals Hij ons heeft opgedragen.” (1 Johannes 3:23)

De conclusie is daarom dat gelovigen wel degelijk zekerheid mogen hebben dat God hen zal bewaren tot het einde. Die zekerheid is niet gebaseerd op een bijzondere openbaring, maar op Gods beloften en op het werk van de Heilige Geest in hun leven.

Verwerping 6

Verwerping van de dwaling: Geloofszekerheid maakt je gemakzuchtig en minder toegewijd

Die leren: Dat de leer van de verzekerdheid der volharding en der zaligheid
uit haar eigen aard en natuur een oorkussen des vleses is, 
en voor de godvruchtigheid, goede zeden, 
gebeden en andere heilige oefeningen schadelijk; 
maar dat het daarentegen prijselijk is daaraan te twijfelen.

Want dezen betonen, dat zij de kracht der Goddelijke genade 
en de werking des inwonenden Heiligen Geestes niet kennen. 
En zij wederspreken den apostel Johannes, 
die het tegendeel met uitgedrukte woorden leert in zijn eersten Zendbrief: 
Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, 
en het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen. 
Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, 
wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien gelijk Hij is. 
En een iegelijk die deze hoop op Hem heeft, 
die reinigt zichzelf, gelijk Hij rein is (1 Joh. 3:2-3). 
Daarenboven worden dezen wederlegd door de voorbeelden des heiligen, 
zo des Ouden als des Nieuwen Testaments, dewelke, 
alhoewel zij van hun volharding en zaligheid zeker waren, 
nochtans in de gebeden en andere oefeningen der godzaligheid volhardend zijn geweest.

De opvatting van hen die zeggen dat de zekerheid van het volharden in het geloof en van de uiteindelijke redding er vanzelf toe leidt dat mensen lui of zorgeloos worden, wordt verworpen.
Volgens hen zou die zekerheid schadelijk zijn voor een godvrezend leven, goed gedrag, gebed en andere geestelijke oefeningen. Zij vinden het daarom beter dat een christen juist blijft twijfelen aan zijn redding.

Maar daarmee laten zij zien dat zij de kracht van Gods genade en het werk van de Heilige Geest in een gelovige niet begrijpen.

Bovendien spreken zij de apostel Johannes tegen. 
Hij schrijft:
“Geliefde broeders en zusters, wij zijn nu al kinderen van God. Wat we zullen zijn is nog niet geopenbaard, maar we weten dat we aan Hem gelijk zullen zijn wanneer Hij zal verschijnen, want dan zien we Hem zoals Hij is. 3Ieder die dit vol vertrouwen van Hem verwacht maakt zich rein, zoals ook Jezus rein is.” (1 Johannes 3:2-3)

Juist de zekerheid van Gods beloften zet gelovigen er dus toe aan om heilig te leven.

Ook de voorbeelden van de gelovigen uit zowel het Oude als het Nieuwe Testament laten dit zien. 
Hoewel zij zekerheid hadden van Gods trouw en van hun uiteindelijke redding, bleven zij trouw volharden in gebed, aanbidding en een leven in gehoorzaamheid aan God.

Geloofszekerheid leidt niet tot passiviteit, maar juist tot een heilig en toegewijd leven.

Verwerping 7

Verwerping van de dwaling: Het tijdgeloof en het ware geloof verschillen alleen in de lengte

Die leren: Dat het geloof dergenen, die maar voor een tijd geloven, 
van het rechtvaardigmakend en zaligmakend geloof niet verschilt, 
dan alleen in de duurzaamheid.

Want Christus Zelf, Matth. 13:20 en Luk. 8:13 en vervolgens, a
stelt klaarblijkelijk daarbenevens nog drieërlei onderscheid tussen degenen, 
die maar voor een tijd geloven, en de ware gelovigen, 
als Hij zegt dat genen het zaad ontvangen in een steenachtige aarde, 
maar dezen in een goede aarde of goed hart; 
dat genen zonder wortel zijn, maar dezen een vasten wortel hebben; 
dat genen zonder vruchten zijn, maar dezen hun vrucht, 
in onderscheiden mate, met standvastigheid of volstandigheid voortbrengen.

De opvatting van hen die zeggen dat het geloof van mensen die slechts een tijd geloven, eigenlijk hetzelfde is als het ware, reddende geloof, wordt verworpen.
 Volgens hen is het enige verschil  namelijk dat het ene geloof blijvend is en het andere niet.

Jezus leert echter iets anders. In Matteüs 13:20 en verder en Lukas 8:13 en verder (de gelijkenis van de zaaier) noemt Hij meerdere verschillen tussen mensen die maar een tijd geloven en mensen die werkelijk geloven.

Hij zegt dat:

  • mensen met een tijdelijk geloof het zaad ontvangen op een rotsachtige bodem, terwijl ware gelovigen het ontvangen in goede aarde, dat wil zeggen: in een ontvankelijk hart;
  • mensen met een tijdelijk geloof geen diepe wortels hebben, terwijl ware gelovigen stevig geworteld zijn;
  • mensen met een tijdelijk geloof uiteindelijk geen vrucht dragen, terwijl ware gelovigen wel vrucht voortbrengen, de één meer dan de ander, en daarin volharden.

Daaruit blijkt dat het verschil niet alleen zit in hoelang het geloof duurt. 
Het gaat ook om de aard van het geloof: echt geloof wortelt diep, draagt blijvende vrucht en houdt stand.

Verwerping 8

Verwerping van de dwaling: Je kunt als gelovige meerdere malen wederom geboren worden

Die leren: Dat het niet ongerijmd is dat de mens, 
zijn eerste wedergeboorte verloren hebbende, 
wederom opnieuw, ja menigmaal wedergeboren worde.

Want dezen loochenen door deze leer de onverderfelijkheid van het zaad Gods, 
waardoor wij wedergeboren worden; 
tegen het getuigenis van den apostel Petrus: 
Gij die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad (1 Petr. 1:23).

De opvatting van hen die zeggen dat iemand zijn wedergeboorte kan verliezen en daarna opnieuw, of zelfs meerdere keren, wedergeboren kan worden, wordt afgewezen.

Zoals je lichamelijk maar één keer geboren kunt worden, zo is het geestelijk ook.

De dwaling  ontkent namelijk dat de wedergeboorte voortkomt uit Gods onvergankelijke levenschenkende werk. 
De Bijbel leert dat wie door God opnieuw geboren is, nieuw leven ontvangt dat niet vergaat.

De apostel Petrus schrijft:
“als mensen die opnieuw zijn geboren, niet uit vergankelijk maar uit onvergankelijk zaad, door Gods levende woord, dat voor altijd standhoudt.” (1 Petrus 1:23)

Daarom is wedergeboorte geen gebeurtenis die telkens opnieuw moet plaatsvinden. Wie werkelijk door God opnieuw geboren is, heeft een nieuw leven ontvangen dat zijn oorsprong vindt in Gods blijvende en onvergankelijke werk.

Verwerping 9

Verwerping van de dwaling: Christus heeft nergens gebeden dat gelovigen zouden volharden

Die leren: Dat Christus nergens gebeden heeft, 
dat de gelovigen in het geloof onfeilbaarlijk zouden volharden.

Want zij wederspreken Christus Zelf, Dewelke zegt: 
Ik heb voor u gebeden, Petrus, dat uw geloof niet ophoude (Luk. 22:32), 
en den evangelist Johannes, die getuigt, dat Christus niet alleen voor de apostelen, 
maar ook voor al degenen, die door hun woord geloven zouden, gebeden heeft: 
Heilige Vader, bewaar ze in Uw Naam;
en: Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, 
maar dat Gij hen bewaart van den boze (Joh. 17:11, 15, 20)

De opvatting van hen die zeggen dat Christus nergens heeft gebeden dat gelovigen tot het einde toe in het geloof zouden volharden, wordt verworpen.

Tegen Petrus zegt Jezus:
“Maar Ik heb voor je gebeden opdat je geloof niet zou bezwijken.” (Lukas 22:32)

Ook de evangelist Johannes laat zien dat Jezus niet alleen voor Zijn apostelen bad, maar voor alle mensen die door hun verkondiging tot geloof zouden komen. Jezus bad:
“Heilige Vader, bewaar hen door uw naam”. (Johannes 17:11)

En ook:
“Ik vraag niet of U hen uit de wereld weg wilt nemen, maar of U hen wilt beschermen tegen hem die het kwaad zelf is.”(Johannes 17:15)

Later maakt Jezus duidelijk dat dit gebed ook geldt voor allen die door het getuigenis van de apostelen in Hem zullen geloven (Johannes 17:20).

De Bijbel leert dus dat Christus Zelf heeft gebeden voor de volharding van alle ware gelovigen. Zijn gebed is een krachtige bevestiging dat God hen bewaart en ervoor zorgt dat hun geloof niet definitief bezwijkt.

Plaats een reactie

search previous next tag category expand menu location phone mail time cart zoom edit close