De schat in de akker, de parel van grote waarde en het visnet

Preek over Mattheüs 13:44-52 gehouden op 2 augustus 2026 in de Meentkerk te Huizen.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Afgelopen week zag ik Mathieu van der Poel de laatste rit van de Tour de France winnen.
Op de Champs-Élysées.

Hij gaf alles…
Echt alles…
Werd bijna ingehaald door een sprintend peloton.

Maar hij gaf alles en won. 

Ik moest eraan denken toen ik het Schriftgedeelte van vandaag las.


De gelijkenissen van vandaag vormen één geheel met de andere gelijkenissen uit hoofdstuk 13.

Mattheüs 13 begint met ‘Op die dag!’.

Mattheüs wil dat wij begrijpen dat deze dag rechtstreeks aansluit op wat er in hoofdstuk 12 gebeurt. 

En wat gebeurt daar?

Jezus geneest een bezetene. 
De man is blind is en kan niet spreken. 

Jezus opent zijn ogen. 
En maakt zijn tong los.  

Zodat de man kan zien en spreken.

Zo laat Jezus zien dat met Zijn komst het Koninkrijk van God aanbreekt.
Daar zegt niemand “Ik ben ziek”.

Maar hoe reageren de Farizeeën?

Niet met applaus.
Niet met aanbidding.
Niet met verwondering.

Nee, zij zeggen dat Jezus dit doet door de kracht van Beëlzebul, de overste van de demonen.

Ongeloof dus…
Verzet…

Gods werk wordt uitgemaakt als duivelswerk.


De Messias staat voor hun ogen, maar de Farizeeën herkennen en erkennen Hem niet.

Ze willen Hem niet erkennen.

Dat is de achtergrond van Mattheüs 13.

Op díe dag begint Jezus in gelijkenissen te spreken.

Niet omdat Hij Zijn boodschap eenvoudiger wil maken.
Maar omdat Zijn gelijkenissen tegelijk openbaren én verbergen.

Wie gelooft, gaat meer zien.
Steeds meer zien.

Wie zich verhardt, wordt blinder.
Steeds blinder.

Het horen van Gods Woord heeft een ernstige kant….[i]

Ik heb gedacht: waar moet ik vandaag in beginnen?

Bij het begin…, vers 44.
Of bij het eind? Vers 51 en 52.
De vraag, het antwoord en de conclusie.

Mij viel in ieder geval op dat de discipelen volmondig “Ja” zeggen als Jezus vraagt: 51Hebben jullie dit alles begrepen?”

Ze zeggen niet eens “Wilt U het nog een beetje extra uitleggen?”.
“Kunt het U het misschien nog iets eenvoudiger zeggen?”

Ik vind dat opvallend.
Want ik denk namelijk dat er bij jou wel vragen leven.

Vooral vanwege die laatste verzen 49 en 50

Waar Jezus zegt:
Zo zal het bij de voleinding van de wereld zijn
.

De slechten worden afgezonderd van de rechtvaardigen.
De slechten worden in de vurige oven geworpen.
“daar zal gejammer zijn en tandengeknars”.

Je schrikt ervan.

Of denk je “Net goed voor die lelijkerds…”?

Eerder die dag bij de gelijkenis van het onkruid in vers 40 tot en met 42 zegt Jezus ook al zoiets.

“Vurige oven”“gejammer en tandengeknars”.

Het klinkt angstaanjagend.


Het is angstaanjagend…


Of is het een troost voor hen wie onrecht is aangedaan?

God komt namelijk op fat onrecht dat is aangedaan terug.

Zal recht doen aan slachtoffers…

Ook aan de slachtoffers van brute moordpartijen.
De slachtoffers in loopgraven.

Ik herinner me een Britse officier die in de Joegoslavië oorlog (de Balkanoorlog) tegen een paar moordende Serven zei: “May you rot in hell!”.

Het is niet goed, maar soms begrijpelijk dat iemand zoiets uitroept.


Denk er aan….
Niet de officier, maar God, Jezus zal recht spreken en recht doen.

Niet jij.
Maar Hij!


Ondertussen denk ik dat iedereen het verschrikkelijk vindt als zoiets met jouw geliefden zou gebeuren.

“Hij, zij naar de hel?”
“Nee, dat nooit…!”


Misschien denk je aan je man of je vrouw.
Aan je kind of kinderen.
Aan kleinkinderen.
Aan vrienden die niet, of niet meer geloven.

In de praktijk zijn het schatten van mensen.
Wat zeg ik. 

Soms liever dan sommige kerkmensen.
Ze steken niet met een vroom gezicht messen in je rug.

Zij hebben geen vrome praatjes, maar vrome daden.
Al zullen ze het zelf niet zo zeggen…

Ze zijn betrouwbaar, niet achterbaks.

Ze zijn aardig, lief, staan altijd voor je klaar…


Maar… naar de kerk gaan ze niet of niet meer.

Met God en geloof lijken ze voor het oog niet zoveel, of niets te hebben.

Worden zij in een vurige oven geworpen?

Zijn zij degenen die zullen jammeren en tandenknarsen?

Gemeente…
Broeders en zusters…

Er zijn vragen die je moet loslaten.

Loslaten en overgeven in de handen van God, Jezus.

Het oordeel is aan Jezus.
Hij zal ieder mens rechtvaardig oordelen.

Ik moet loslaten en overgeven…

Ondertussen bid ik voor allen…

Jij toch ook?

In Johannes 21 zegt Jezus tegen Petrus als hij vraagt naar de afloop van een ander: 
“Wat gaat het jou aan? Volgt jij Mij!”.[ii]

Vandaag zegt Jezus het ook tegen jou, als je je druk maakt om de afloop van een ander.
“Wat gaat het jou aan? Volg Mij!”

Daarvoor heeft Jezus trouwens iets anders aan Petrus gevraagd:

“Heb je Mij lief?”.

Ook dat vraagt Jezus vandaag aan jou.
“Heb je Mij lief”.
“Houd je van Me?”

“Ja…”, zeg je.

“Volg Mij!” zegt Hij.

Wij moeten niet tobben over de vraag wie er wel en niet goed terecht zal komen.

Ook niet – hoe moeilijk dat soms is – als het gaat over onze kinderen of onze geliefden.

God roept jou tot Zijn dienst. 

Opdat je zult leven en sterven met verwachting.

Probeer daarom vanmorgen voor jezelf te luisteren.
Niet voor een ander…

Vandaag wordt aan jou gevraagd:

 “Waar ligt je hart?”

“Geef je Hem alles of iets?”

We lazen drie korte gelijkenissen: 
1. Een verborgen schat.
2. Een kostbare parel en 
3. Het sleepnet. 

Het lijken eenvoudige verhalen.
Maar ondertussen word jij er helemaal in betrokken.


Normaals: Aan jou wordt gevraagd: 
Waar ligt je hart?”

“Geef je Hem alles of iets?”


“Wat is voor jou nou het meest kostbare bezit?”

Er werkt een man op een akker.
Tijdens het werk stuit de man op een schat. 

Even tussen haken: dat was niet in vreemd in Jezus’ tijd.
Rabobanken waren er niet. 
De ING en de ABN ook niet.


Kostbaarheden werden veelal begraven. 
Door oorlog of overlijden konden zulke schatten soms vergeten worden.

De man vindt de schat. 
Hij begraaft haar weer. 
Dan verkoopt hij alles wat hij bezit en koopt de akker, inclusief de schat.


Hij is dus zo blij met de schat, dat hij alles verkoopt.
Hij geeft dus zaken op.

Niet mopperend.
Niet met tegenzin. 
Niet mokkend. 

Niet omdat het moet…

Nee, met vreugde.
Omdat hij de schat wil hebben.

De schat is hem alles.

Ik dacht: 
Eigenlijk zegt Paulus (dat was tussen haken ook een vrome farizeeër) hetzelfde.

Hij schrijft in de Filippenzenbrief.

“… wat voor mij winst was, ben ik omwille van Christus als verlies gaan beschouwen. 
8Sterker nog, alles beschouw ik als verlies, want alles wordt overtroffen door het kennen van Christus Jezus, mijn Heer, omwille van wie ik alles heb prijsgegeven. In mijn ogen is het waardeloze troep…”

Als je Christus leert kennen, ontdek je dat je Iemand wint!

Je verliest niet iets…

Dat dacht ik als puber wel.
Tenminste, ik dacht vroeger:
“Als je echt gelooft, dan mag je dit niet en dat niet, zus niet, zo niet…, dus ik stel de keuze maar even uit”.
 
Dom hè?


Wie Christus leert kennen verliest niet, maar wint.

De tweede gelijkenis lijkt op de eerste, maar er is een belangrijk verschil.


De eerste man vindt onverwacht en ongedacht een schat.
De koopman daarentegen zoekt al langer naar mooie parels.
En dan vindt hij die éne.
Die wil hij hebben.
Daartoe verkoopt hij alles wat hij heeft.

Twee gelijkenissen.
Twee manieren om de schat, de parel te vinden.


Vandaag zijn hier mensen in de kerk die als het ware onverwacht tot het geloof gekomen zijn. 

Ze zochten God niet, maar plotseling vonden zij.

Ze wisten zich gevonden.
Plots brak het licht door.

Anderen zochten jarenlang en vonden. 

Kerkelijk opgevoed.
Honderden preken gehoord en plots…

Plots raakte het…
Hij voor mij!


Bekeringswegen kunnen verschillen.
Als je maar bij Jezus uitkomt.

Niet bij een leer.
Niet bij een ervaring.


Maar bij Jezus Christus.

Ondertussen bedoelt Jezus niet dat iedere christen alles moet verkopen.
Ook niet dat jij letterlijk arm moet worden.



Hij bedoelt dat niets belangrijker mag zijn dan Hij.


Dat Hij en niet iets anders op één staat.


Het belangrijkst is dus niet je bezit.

Niet je carrière.

Niet je reputatie.

Zelfs niet je leven…

Nee, Jezus.
Hij is het belangrijkst.
Hij moet/mag het centrale Middelpunt van je leven zijn.

Anders gezegd: 
Jezus wil niet een plaatsje in jouw leven.

Hij wil de eerste plaats.


Vers 47.

Een sleepnet wordt uitgegooid en sleept onzichtbaar onder water alles mee. 


Wat er allemaal in dat net terecht komt, kun je vanaf het schip niet zien.

Wat er uiteindelijk in het net zit, zie je pas als het net binnen gehaald wordt.

Dan volgt het sorteren.


De goede vissen gaan in de vaten.
De slechte vissen worden weggegooid.

Een beeld dus, dat de mensen elke dag zagen.

Jezus vergelijkt het met hoe het zal zijn bij de voleindig van de wereld.
Dan vindt dus de grote scheiding plaats.

En dan zal blijken dat er maar twee categorieën zijn: rechtvaardigen en slechten.

Dreigt Jezus hier?

Hij heeft het in ieder geval wel over de werkelijkheid van de hel.

Denk erom: 
Het is Jezus die spreekt over een vurige oven, gejammer en tandengeknars.

Niet een zware, doorgezakte dominee.


Vandaag de dag zien velen, ook binnen de kerken, de hel als een achterhaalde voorstelling.
Als modern gelovige zou je niet meer in de hel hoeven te geloven.

Maar ik denk dan, ‘Ja ja, maar Jezus doet dat dus wel’.



In de geloofsbelijdenis van Athanasius, één van onze geloofsbelijdenissen, staat dat Jezus komen zal
…om te oordelen de levenden en de doden,

40 bij wiens komst alle mensen moeten opstaan met hun lichaam en rekenschap afleggen van hun eigen daden,

41 en zij die het goede hebben gedaan zullen het eeuwige leven ingaan, zij die het kwade hebben gedaan het eeuwige vuur.

42 Dit is het katholieke geloof: wie dit niet getrouw en vast zal hebben geloofd, zal niet behouden zijn.


De hel is niet geschapen door God.


De HEERE schiep hemel, zee en aarde. 
Daarvan wordt nadrukkelijk gezegd dat het ‘goed’ was.[iii]

De hel is er gekomen doordat de zonde er gekomen is. 

De geschiedenis van de hel begint dan ook daar waar de geschiedenis van de zonde begint. 

Anders gezegd: de hel is geen uitvinding van God, maar de onherroepelijke en uiterste consequentie van het kwaad.

De hel is de plek waar God niet aanwezig is. 

De plek waar dan ook geen liefde is, geen wezenlijke verbondenheid met elkaar.


Geen troost.

Geen perspectief. 

De hel is een plaats zonder blijdschap.


Een plek waar je altijd met wroeging naar het verleden kijkt…



Op zo’n plek wil Jezus jou niet hebben…

Daarom is Hij naar deze aarde gekomen.
Om naar de hel te gaan in jouw plaats.

Op Golgotha roept Hij het uit.
‘Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?’

Opdat wij, opdat jij nooit door God verlaten zou en zal worden!


Het is niet voor niets dat na kruis en opstanding aan Joden (ook Farizeeën) en heidenen het Evangelie verkondigd wordt.

Met Pinksteren preekt Petrus voor de Joden. (Hand. 2)
“Die Jezus die u gedood hebt is opgestaan.
Hij leeft!
Ieder die de Naam van de Heere aanroept, zal zalig worden.”

In Athene (Hand. 17) zegt Paulus tegen heidenen dat God een dag vastgesteld heeft, waarop Hij de wereld rechtvaardig zal oordelen.

Wie zal dat oordeel uitspreken?

Een Man Die God daartoe aangesteld heeft. 

Wie is die Man?
Dat is Degene Die uit de doden is opgestaan.

Jezus Christus.


‘Wat moet ik doen om zalig te worden?’ roept de cipier in Filippi uit. (Hand. 16)

Wat antwoordt Paulus?


“Hier heb je de Tien Geboden. 
Probeer die eerst maar eens te houden…

Volgende week, volgend jaar, praten we verder…”

Nee.
Hij zegt: “Geloof in de Heere Jezus Christus en u zult zalig worden, u en uw huisgenoten.”


In Romeinen 5 schrijft hij:
1Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede bij God door onze Heere Jezus Christus.



De gelovige gehoorzaamt en de gehoorzame gelooft.

Wat gelooft de gelovige?

Dat Jezus voor mij is gestorven en opgestaan…


Wat doet de gelovige?
Hij leeft helemaal voor Hem.
Hij weet: Jezus is de Parel van grote waarde.
Jezus is de schat.



Jij mag leven van de liefde van Jezus Christus.

Van Jezus, Die de hel inging voor jou!
Opdat jij er zelf nooit zult komen.

Opdat je voor Hem zult leven.
En vrucht dragen.

Vandaag vraagt Hij aan jou en aan mij:
“Wees eens eerlijk…”

Waar ligt je hart?”

“Geef je Mij alles of iets?”

“Sta ik echt op nummer één?”

“Heb je Mij lief”.
“Houd je van Me?”

“Volg Mij!”


“Want wij zijn Zijn maaksel,  geschapen in Christus Jezus om goede werken te doen, die God van tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen.”. (Efeze 2:10)


Wanneer eenmaal het net wordt binnengehaald en de grote scheiding plaatsvindt…
Dan zal blijken dat niemand ooit iets heeft verloren die alles verloor om Christus’ wil.

Dan zullen de rechtvaardigen, zoals Jezus eerder in dit hoofdstuk zegt, stralen als de zon in het Koninkrijk.

Wie oren heeft om te horen, laat hij of zij horen. 

Amen.


[i] Mat. 13:2.

[ii] Joh. 21:22.

[iii] Gen 1:31.

Categorieën Preken

Plaats een reactie

search previous next tag category expand menu location phone mail time cart zoom edit close