Het eerste deel van het evangelie van Nicodemus

Terugrekenend moet het 1989 geweest zijn toen dr. C.A. Tukker mijn docent kerkgeschiedenis werd aan de ‘Theologische Hogeschool vanwege de Gereformeerde Bond’ (de zogenaamde Cedeboerianen).
Tukker was een markante man, die heel wat werkjes heeft geschreven, waarvan het meest bekend de twee delen van Matthew Henry’s Verklaring van het Oude en het Nieuwe Testament en zijn vier delen van Bronnen bij de belijdenis zijn.

Minder bekend zijn de drie delen van Enige Nieuwtestamentische Apokriefe Geschriften. Van deze drie delen boeit mij het tweede deel het meest, omdat de inhoud duidelijk maakt dat er in de Vroege Kerk ook nagedacht is over vragen als “Hoe was de verhouding tussen Pilatus en Herodes Antipas?”, “Waar zijn die gelovigen gebleven die opstonden toen Jezus gekruisigd werd?” (vgl. Mat. 27:52,53), “Waar was Jezus, toen Hij werd begraven?”, enzovoorts.
Boeiend is dan te lezen dat gelovigen in de Vroege Kerk de Apostolische Geloofsbelijdenis chronologisch hebben gelezen. Dus als beleden wordt “…is gestorven, en begraven, nedergedaald ter helle, ten derde dag wederom opgestaan…”, dan zijn dat dus gebeurtenissen die in die volgorde gebeuren.
In de gereformeerde traditie doen we dat in navolging van Calvijn en de Heidelberger niet. Aan het kruis geschiedt de nederdaling ter helle.

HC Vraag 44: Waarom volgt daar: Nedergedaald ter helle?
Antw. Opdat ik in mijn hoogste aanvechtingen verzekerd zij en mij ganselijk vertrooste, dat mijn Heere Jezus Christus door Zijn onuitsprekelijke benauwdheid, smarten, verschrikking en helse kwelling, in welke Hij in Zijn ganse lijden, (maar inzonderheid aan het kruis) gezonken was, mij van de helse benauwdheid en pijn verlost heeft.

En toch fascineert mij dan de vertaling van het Evangelie van Nicodemus ofwel de nederdaling ter helle die in deel 2 vanuit het Latijn vertaald is.
Omdat de totale tekst wat lang is, geef ik hier de hoofdstukken II tot en met X weer, over de hellevaart van Christus, die als Overwinnaar de gelovigen uit het dodenrijk bevrijdt. Daarmee is hier de “nederdaling ter helle” niet de laatste trap van de vernedering, maar de eerste stap van de verhoging.

Hoofdstuk II (XVIII)[i]
1 Heere Jezus Christus, opstanding van de doden en leven, sta ons toe om (van) de mysteriën te spreken door Uw kruisdood, omdat wij door U bezworen zijn. Gij immers hebt Uw knechten bevolen, aan niemand te berichten de geheimen van Uw goddelijke majesteit, die Gij in de hel verricht hebt. Daar wij nu met al onze vaderen ons bevonden in de diepte in het donker van de duisternis, ontstond plotseling de gouden gloed van de zon en het purperen licht van een koning dat ons verlichtte. En terstond heeft de vader van het hele menselijke geslacht met alle aartsvaders en profeten gejubeld: Dit licht is de Maker van eeuwig licht, dat heeft beloofd om het eeuwige licht tot ons te brengen. En Jesaja riep uit en zei: Dit is het licht van de Vader, de Zoon van God, zoals ik voorzegd hebtoen ik op aarde leefde: Het land Zebulon en het land Naftali over de Jordaan, Galilea der volken, het volk dat in duisternis zat, ziet een groot licht; en degenen die gezeten zijn in het land van de schaduw van de dood, onder hen scheen het licht. En nu is het gekomen en het heeft ons beschenen, die in de dood zitten.

2. En toen wij nu allen ons verheugden in het licht, dat ons omscheen, kwam tot ons onze vader Simeon, en juichend zei hij tot ons: Verheerlijkt de Heere Jezus Christus, de Zoon van God, want ik heb Hem als pasgeboren Kind in mijn handen genomen, en gedreven door de Heilige Geest heb ik Hem beleden en zei tot Hem: Nu zien mijn ogen Uw zaligheid, doe Gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volken, een licht tot verlichting der heidenen en heerlijkheid van Uw volk Israël. Toen ze dit hoorden, juichtte de hele menigte der heiligen nog meer.

3. En hierna kwam één als een kluizenaar, en hij werd door allen gevraagd: Wie zijt gij? En hij antwoordde en zei: lk ben Johannes, een stem en een profeet van de Allerhoogste, die voor Zijn aangezicht heengaat om Zijn wegen te bereiden om Zijn volk kennis der zaligheid te geven tot vergeving van hun zonden. En toen ik Hem tot mij zag komen, werd ik door de Heilige Geest gedreven en zei: Zie het lam van God, zie Hem Die de zonden der wereld wegneemt. En ik heb Hem gedoopt in de rivier de Jordaan en ik zag de Heilige Geest neerdalen op Hem in de gedaante van een duif, en ik hoorde een stem uit de hemelen zeggen: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb. En nu ben ik voor Zijn aangezicht heengegaan en ben afgedaald om u te boodschappen, dat Hij zeer nabij is om ons te bezoeken, Hij, de dageraad, de Zoon van God. Die van de hoge komt, aan ons die zitten in duisternis en schaduw van de dood.

Hoofdstuk III (XIX)
En toen de eerstgeschapene, vader Adam, dit gehoord had dat Jezus in de Jordaan gedoopt was, riep hij tot zijn zoon Seth: Boodschap uw zonen de aartsvaders en profeten alles wat ik van Michaël de aartsengel gehoord heb, toen ik u aan de poorten van het paradijs zond om God te smeken dal Hij u een engel zond, opdat Hij u de olie van de boom der barmhartigheid gaf, opdat gij mijn lichaam zoudt zalven, daar ik ziek was. Toen naderde Seth tot de heilige aartsvaders en profeten en zei: Toen ik, Seth, tot de Heere bad aan de poorten van het paradijs, zie de engel des Heeren Michaël verscheen mij en zei: Ik ben tot u gezonden door de Heere: ik ben gesteld over het menselijk lichaam. Want ik zeg u, Seth, span u niet in door met tranen te bidden en te smeken vanwege de olie van de boom der barmhartigheid, opdat gij uw vader Adam zalft voor de pijn van zijn lichaam, want gij zult die volstrekt niet kunnen ontvangen tenzij dan in de laatste dagen en tijden, tenzij (namelijk) vervuld zullen zijn vijfduizend en vijfhonderd jaren. Dan zal op aarde de zeer geliefde Zoon van God komen om het lichaam van Adam en de lichamen der gestorvenen op te wekken, en Hij zal komen en in de Jordaan gedoopt worden. En wanneer Hij uit het water van de Jordaan zal zijn opgestaan, dan zal Hij allen die in Hem geloven, met de olie van Zijn barmhartigheid zalven, en die olie der barmhartigheid zal zijn op het geslacht van hen die geboren zijn uit water en de Heilige Geest tot het eeuwige leven. Dan zal de zeer geliefde Zoon van God, Christus Jezus, op aarde neerdalen en Hij zal onze vader Adam binnenleiden in het paradijs tot de boom der barmhartigheid.
Toen nu alle aartsvaders en profeten deze dingen van Seth hoorden, juichten zij met groot gejuich.

Hoofdstuk IV (XX)
1. En toen alle heiligen juichten, zie satan, de vorst en aanvoerder van de dood, zei tot de hel: Bereid u voor om Jezus te ontvangen, Die Zichzelf erop beroemt de Zoon van God te zijn, en Hij is een Mens Die de dood vreest en zegt: Mijn ziel is bedroefd tot de dood toe. En zeer veel dingen heeft Hij tegen mij gekeerd, kwaaddoende, en velen die ik blind, lam, stom, melaats en bezeten maakte, heeft Hij met Zijn woord genezen; en die ik naar u als doden bracht, heeft Hijzelf u afgenomen.

2. De hel antwoordde en zei tot satan, de vorst: Wie is Hij Die zo machtig is, daar Hij een Mens is, Die de dood vreest? Want alle machtigen der aarde zijn door mijn macht onderworpen en worden vastgehouden, welke gij als onderworpen door uw macht hebt gebracht. Als gij dus machtig zijt, welk soort Mens is deze Jezus Die, hoewel Hij de dood vreest, uw macht weerstaat? Als Hij zo machtig is in Zijn mensheid, waarlijk ik zeg u, dan is Hij almachtig in Zijn Godheid en niemand kan Zijn macht weerstaan. En wanneer Hij zegt dat Hij de dood vreest, dan wil Hij u gevangennemen, en wee zal over u zijn in eeuwigheid. Maar satan, de eerste van Tartarus (de onderwereld – GJG) zei: Hoe hebt gij getwijfeld en gevreesd deze Jezus op te nemen, uw en mijn Tegenstander? Ik heb Hem immers verzocht en heb mijn oude volk Israël aangevuurd mei ijver en toorn tegen Hem: ik heb de speer gescherpt om Hem Ie doorboren, ik heb gal en azijn gemengd om Hem te drinken te geven, en ik heb het hout voorbereid om Hem te kruisigen en nagels om Hem vast te hechten, en nabij is Zijn dood, opdat ik Hem tot u breng, onderworpen aan u en mij.

3. De hel antwoordde en zei: Gij hebt mij gezegd, dat Hij het is, Die de doden van mij wegtrok. Want er zijn velen die door mij hier gevangen zijn, die terwijl zij op aarde leefden, van mij als doden weggenomen zijn, niet door hun eigen macht, maar door gebeden tot God, en hun almachtige God heeft hen van mij weggenomen. Wie is deze Jezus, Die door Zijn woord doden zonder gebeden van mij wegnam? Misschien is Hij Dezelfde Die Lazarus, die vier dagen stonk en in ontbinding was, welke ik als dode vasthield, het leven teruggaf door het woord van Zijn heerschappij. Satan, de vorst van de dood, antwoordde en zei: Dat is deze Jezus. Toen de hel dit nu hoorde, zei hij tot hem: Ik bezweer u bij uw en mijn macht, dat gij Hem niet tot mij brengt. Want toen ik van de macht van Zijn woord hoorde, heb ik gebeefd, totaal bevangen van angst, en al mijn trawanten waren met mij ontzet. Wij hebben zelfs Lazarus niet kunnen vasthouden, maar zich schuddend als een adelaar sprong hij met alle bewegelijkheid en snelheid en ging van ons weg, en zelfs de aarde die het lichaam van Lazarus vasthield, gaf hem terstond aan het leven terug. Zo weet ik nu dat deze Mens Die dit kon doen, de machtige God is in Zijn gezag, krachtig in Zijn mensheid, en Zaligmaker van het menselijk geslacht. En indien gij Hem tot mij brengt, zal Hij losmaken allen die hier zijn, besloten in de wreedheid van de kerker en gebonden in de onlosmakelijke banden van de zonden, en Hij zal hen brengen tot Zijn goddelijk leven tot in eeuwigheid.

Hoofdstuk V (XXI)
1. En toen satan de vorst, en de hel dit onder elkaar spraken, geschiedde er plotseling een stem als de donder en een roep van de Geest: Heft uw hoofden op, gij poorten, ja heft op, gij eeuwige deuren, opdat de koning der ere inga. Toen de hel dit hoorde, zei hij tot satan de vorst: Wijk terug van mij en ga naar buiten uit mijn verblijf; indien gij een machtig strijder zijt, strijd tegen de koning der ere. Maar wat hebt gij met Hem van doen? En de hel wierp satan uit zijn verblijf naar buiten. En de hel zei tot zijn goddeloze trawanten: Sluit de wrede koperen poorten en plaatst de ijzeren grendels erop en weersta krachtig, opdat wij niet gevangengenomen worden, die de gevangenis gevangenhouden.

2. En toen heel de menigte der heiligen dit hoorde, zeiden ze met een dreunende stem tot de hel: Open uw poorten, opdat de Koning der ere inga. En David riep uit: Heb ik niet, toen ik op aarde leefde, u voorzegd: Laten ze voor de Heere Zijn barmhartigheid belijden en Zijn wonderen voor de kinderen der mensen. Die de koperen deuren gebroken heeft en de ijzeren grendels verbrijzelde. Hij heeft hen genomen uit de weg van hun ongerechtigheid. En hierna zei op soortgelijke wijze Jesaja: Heb ik niet, toen ik op aarde leefde, u voorzegd: De doden zullen opslaan, en zij die in de graven zijn, zullen verrijzen, en zij die op de aarde zijn, zullen juichen, want de dauw die van de Heere is, is hun genezing. En wederom zei ik: Dood, waar is uw prikkel, hel, waar is uw overwinning?

3. Toen nu alle heiligen dit van Jesaja hoorden, zeiden zij tot de hel: Open uw poorten, nu zult gij overwonnen, zwak en onmachtig zijn. En er geschiedde een grote stem als de donder zeggend: Heft uw poorten op, gij hoofden, en heft gij u op, gij poorten van de hel, en de Koning der ere zal ingaan. Toen de hel zag dat ze van twee kanten dit uitriepen, zei hij quasi onwetend: Wie is de Koning der ere? David antwoordde en zei tot de hel: Ik ken de woorden van dit geroep, omdat ik dezelfde woorden door Zijn Geest profeteerde.
En nu zeg ik u wat ik al eerder gezegd heb: De Heere sterk en geweldig, de Heere geweldig in de strijd, Hij is de Koning der ere.
En: de Heere Zelf zag neer van de hemel op de aarde om te horen het gezicht van degenen die in boeien zitten en om los te maken de kinderen der doodslagers. En nu, gij zeer gemene en zeer stinkende hel, open uw poorten, opdat de Koning der ere inga. Toen David dit tot de hel zei, verscheen de Heere der heerlijkheid in de gedaante van een mens, en Hij verlichtte de eeuwige duisternis en maakte de onlosmakelijke banden los, en de hulp van Zijn onoverwinnelijke kracht bezocht ons, die zaten in de diepe duisternis van de vergrijpen en in de schaduw van de dood van de zonden.

Hoofdstuk VI (XXII)
1. Toen de hel en de dood en hun goddeloze trawanten dit zagen, schrokken zij met hun wrede dienaren op hun eigen gebied voor het zien van de helderheid van zo’ n groot licht, terwijl zij Christus onverwacht op hun eigen zetels zagen, en zij riepen uit: Wij zijn overwonnen door U. Wie zijt Gij Die onze verwarring tot de Heere leidt? Wie zijt Gij Die zonder spoor van bederf, met het onverderfelijk bewijs van Uw majesteit, in toorn onze macht veroordeelt? Wie zijt Gij, zo groot en klein, nederig en verheven, soldaat en bevelhebber, een bewonderenswaardig strijder in de gestalte van een slaaf, en dood en levend de Koning der ere, Wien het kruis als gestorvene heeft gedragen? Gij Die dood in het graf lag, en levend tot ons zijt afgedaald; en bij Uw dood beefde de hele schepping en al de sterren zijn bewogen. En nu zijt Gij vrij geworden onder de doden en Gij brengt onze legioenen in verwarring. Wie zijt Gij Die gevangenen losmaakt, die door de erfzonde geboeid gevangengehouden worden, en hen terugroept tot hun vroegere vrijheid? Wie zijt Gij Die degenen die verblind zijn door de duisternis van hun zonden, met het goddelijke en schitterende en licht brengende licht overstroomt? Op dezelfde wijze riepen alle legioenen der duivelen, door dezelfde angst getroffen, vanuit een sidderend omvergeworpen zijn met één stem: vanwaar zijt Gij, Jezus, een zo krachtig Mens en heerlijk in majesteit, zo schitterend zonder smet en rein van misdaad?
Want deze aardse wereld, die tot nu toe altijd aan ons onderworpen was, die voor onze belangen belasting betaalde, heeft ons nooit zo’n gestorvene gezonden en heeft nooit zulke giften voor de hel bestemd. Wie zijt Gij dus, Die zo zonder vrees onze grenzen binnengegaan zijt en niet alleen onze straffen niet vreest, maar bovendien tracht uit onze banden allen weg te nemen? Zijt Gij misschien die Jezus, van Wie onze vorst satan zei dat Gij door Uw kruisdood de macht over de hele wereld zoudt ontvangen? Toen vertrapte de Koning der ere in Zijn majesteit de dood, greep vorst satan en gaf hem over aan de macht van de hel, en trok Adam tot Zijn luister.

Hoofdstuk VII (XXII)
Toen zei de hel, terwijl hij vorst satan ontving met al te grote verbijstering, tot hem: O vorst van het verderf en leider van verbanning, Beëlzebul, met wie de engelen spotten en op wie de rechtvaardigen spuwen, waarom hebt gij dit willen doen? Hebt gij de Koning der ere willen kruisigen, bij Wiens doodsafloop gij ons zo grote buit beloofd hebt? Gij hebt als een dwaas niet geweten wat gij deed. Zie, reeds drijft deze Jezus met de bliksem van Zijn godheid alle duisternis van de dood op de vlucht, en de sterke diepste plaats van de gevangenis heeft Hij verbroken, en Hij heeft de gevangenen uitgeleid en de geboeiden losgemaakt. En allen die onder onze kwellingen plachtten te zuchten, springen op over ons, en door hun smeekbeden worden onze rijken vernietigd en onze heerschappijen overwonnen, en geen mensengeslacht zal ons meer eerbewijzen. En bovendien bedreigen ons krachtig de doden die ons nooit verheven waren en als gevangenen nooit blij konden zijn.
O vorst satan, vader van alle slechten en goddelozen en vluchtenden, waarom hebt gij dit willen doen? Zij die van hel begin af tot nu toe wanhoopten aan hun heil en hun leven, nu wordt niets van hun gebrul, dat hier zo gewoon was, gehoord en geen gezucht van hen dringt door, noch wordt op het gezicht van een van hen een spoor van tranen gevonden. O vorst satan, bezitter van de sleutels van de hel, deze uw rijkdommen welke gij verkregen hebt door de boom van de schijnaanklacht en door het verlies van paradijs, nu hebt gij verloren door de boom van het kruis, en al uw blijdschap is verloren gegaan. Toen gij deze Jezus Christus, de Koning der ere, hebt opgehangen, hebt gij tegen uzelf en tegen mij gehandeld. Op die wijze zult gij weten welke eeuwige en oneindige straffen gij zult lijden onder mijn altijddurende bewaking. O vorst satan, bewerker van de dood en oorsprong van alle hoogmoed, gij had eerst een kwade oorzaak in deze Jezus moeten (onder)zoeken, en als gij in Hem geen enkele schuld hebt bevonden, waarom hebt gij Hem zonder reden op onrechtvaardige wijze durven kruisigen en hebt Hem als Onschuldige en Rechtvaardige naar ons gebied gebracht, en hebt de schuldigen, goddelozen en onrechtvaardigen van de hele wereld in het verderf gestort?
En toen de hel dit sprak tot vorst satan, toen zei de Koning der ere tot de hel: Satan zal de eerste zijn onder uw macht voor altijd, in plaats van Adam en zijn kinderen, Mijn rechtvaardigen.

Hoofdstuk VIII (XXIV)
1. En de Heere strekte Zijn hand uit en zei: Komt tot Mij, al Mijn heiligen, die Mijn beeld en gelijkenis hebt. Gij die door de boom en de duivel en de dood veroordeeld waart, nu ziet gij door de boom de duivelen de dood veroordeeld. Terstond zijn alle heiligen onder de hand des Heeren verenigd. De Heere nu hield de rechterhand van Adam vast en zei tot hem: Vrede zij u met al uw kinderen, Mijn rechtvaardigen. En Adam wierp zichzelf op de knieën voor de Heere, smeekte Hem met schreiend gebed en zei met grote stem: Ik zal U verheffen, Heere, omdat Gij mij hebt opgetrokken en mijn vijanden niet over mij hebt verblijd. Heere God, ik heb tot U geroepen, en Gij hebt mij genezen, Heere, Gij hebt mijn ziel uit de hel opgevoerd, Gij hebt mij gered van hen die neerdalen in het meer. Psalm zingt de Heere, al Zijn heiligen, en zegt lof ter gedachtenis van Zijn heiligheid. Want een ogenblik is er in Zijn toorn, en een leven in Zijn goedgunstigheid. Evenzo ook bogen alle heiligen van God de knieën, (vielen) aan de voeten des Heeren en zeiden uit één mond: Gij zijt gekomen, Redder der wereld; zoals Gij door de wet en Uw profeten hebt voorzegd, hebt Gij (het) met daden vervuld. Gij hebt levenden door Uw kruis gered, en door de dood van het kruis zijt Gij tot ons afgedaald, opdat Gij ons zoudt ontrukken aan de hel en aan de dood door Uw majesteit. Heere, zoals Gij de luister van Uw eer in de hemel hebt gezet en Uw kruis op aarde als een teken van verlossing hebt opgericht, zet zo, o Heere, het teken van Uw overwinning van Uw kruis de hel, opdat de dood niet meer heerst.

2. En de Heere strekte Zijn hand uit en maakte het kruisteken over Adam en al Zijn heiligen. Hij hield Adams rechterhand vast en steeg op uit de hel, en alle heiligen zijn Hem gevolgd. Toen riep de heilige David met kracht uit en zei: Zingt de Heere een nieuw lied, want Hij heeft wonderen gedaan. Zijn rechterhand en Zijn heilige arm heeft Hem heil gegeven. De Heere heeft Zijn heil bekendgemaakt. Hij heeft Zijn gerechtigheid geopenbaard voor de ogen der heidenen. En de hele menigte der heidenen antwoordde: Dit is de eer voor al Zijn heiligen. Amen, Halleluja.

3. En hierna riep Habakuk de profeet uit: Gij zijt uitgegaan tot heil van Uw volk, om Uw uitverkorenen te bevrijden. En alle heiligen antwoordden: Gezegend is Hij Die komt in de Naam des Heeren, God is de Heere en Hij heeft ons verlicht. Amen, Halleluja. Evenzo riep ook Micha hierna uit en zei: Wie is een God gelijk Gi, o Heere, Die de ongerechtigheden vergeeft en de zonden voorbij gaat? En nu houdt Gij Uw toom vast tot een teken, dat Gij welwillend zijt tot barmhartigheid. En Gij keert U af en ontfermt U over ons en wendt af al onze ongerechtigheden en Gij hebt al onze zonden doen zinken in de diepte van de dood, zoals Gij onze vaderen in voorgaande dagen hebt gezworen. En alle heiligen antwoordden: Deze is onze God voor eeuwig en in de eeuwen der eeuwen, en Hij zal ons in eeuwigheid regeren. Amen, Halleluja. Zo zeiden ook alle profeten, die heilige dingen berichtten uit hun lof, en alle heiligen volgden de Heere en riepen: Amen, Halleluja.

Hoofdstuk IX (XXV)
De Heere nu nam de hand van Adam en gaf hem aan de aartsengel Michaël; en alle heiligen volgden de aartsengel Michaël, en hij bracht hen allen in de heerlijke genade van het paradijs. En twee mannen, oud van dagen, ontmoetten hen. Zij nu werden door de heiligen ondervraagd: Wie zijt gij, die met ons niet dood in de hel zijt geweest en met het lichaam in het paradijs zijt geplaatst? Een van hen antwoordde en zei: Ik ben Henoch, die door het woord des Heeren hierheen over ben gebracht; en deze die met mij is, is Elia de Tisbiet, die in een wagen van vuur is opgenomen. Hier en tot nu toe hebben wij de dood niet gesmaakt, maar zijn voor de komst van de antichrist bewaard om met hem te strijden door tekenen en wonderen van God en om door hem gedood in Jeruzalem, na drie-en-een-halve dag weer levend opgenomen te worden op de wolken.

Hoofdstuk X (XXVI)
En terwijl Henoch en Elia deze dingen tot de heiligen zeiden, zie een andere, zeer ellendige man kwam, die het teken van het kruis op zijn schouders droeg. En toen alle heiligen hem zagen, zeiden ze tot hem: Wie zijt gij? Want uw voorkomen is dat van een moordenaar. En wat is het, dat gij een teken op de schouders draagt? En hij antwoordde hun en zei: Terecht hebt gij gezegd dat ik een moordenaar was, die alle slechte dingen op aarde deed. En de Joden hebben mij gekruisigd met Jezus, en ik zag de wonderen onder de schepselen, die gedaan zijn door het kruis van Jezus, toen Hij gekruisigd was, en ik heb geloofd dat Hij de Schepper van alle schepselen en de almachtige Koning is, en ik heb Hem gesmeekt: Heere, gedenk aan mij als Gij in Uw koninkrijk zult gekomen zijn. Terstond hoorde Hij mijn smeking en zei tot mij: Voorwaar zeg Ik u, heden zult gij met Mij in het paradijs zijn. En Hij gaf mij dit teken van het kruis en zei: Draag dit en wandel in het paradijs, en wanneer de engel die het paradijs bewaakt, u niet toestaat binnen te gaan, toon hem het teken van het kruis, en zeg tot hem: Jezus Christus de Zoon van God, Die nu gekruisigd is, heeft mij gezonden. Toen ik dit gedaan had, zei ik al deze dingen tot de engel die de wacht hield. En toen hij dit van mij hoorde, deed hij terstond open en bracht mij binnen en stelde mij aan de rechterkant van het paradijs en zei: Zie, wacht een beetje; dan zal Adam, de vader van het hele menselijke geslacht met al zijn zonen, de heiligen en rechtvaardigen, na de overwinning en de roem van de hemelvaart van de gekruisigde Heere Christus, binnengaan. En toen zij al deze woorden van de moordenaar hoorden, zeiden alle heilige aartsvaders en profeten: Gezegend is de Heere, de Almachtige, de Vader van eeuwige goederen en de Vader der barmhartigheden. Gij Die zodanige genade aan Uw zondaren hebt gegeven en tot de genade van het paradijs hebt teruggeleid en tot Uw grazige weiden. Want dit is het meest waarachtige leven van de geest. Amen, amen.


[i]Dr. R. Ten Kate en dr. C.A. Tukker, Enige Nieuwtestamentische Apokriefe Geschriften II, Utrecht: De Banier, 1994, 99 e.v..


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: