Beschikbaar…

Jesaja, schilderij van Fra Bartolommeo (1472 – 1517)

Preek Jesaja 6, gehouden in de Dorpskerk van Vreeswijk (Nieuwegein), 18 oktober 2020.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het zijn onrustige tijden.
Je merkt het op straat.
Mensen zijn onrustig.
En ook wel een beetje gespannen.

Er gebeurt ook zoveel de laatste tijd.
Een beetje eng is het ook wel.
Al die ontwikkelingen.
Ook in de politiek, landelijk, internationaal.

Onrustig word je ervan.
Nou ja, niet iedereen natuurlijk.
Er zijn er ook die denken “We zullen het wel zien.
We hebben de schaapjes op het droge, wie maakt me wat…”

Wat dat betreft is er wel een kloof.
Een kloof die weer samenhangt met je maatschappelijke positie.
Kijk, de één moet bij wijze van spreken richting de voedselbank en heeft aan het eind van het geld nog een paar weken over.

De ander weet eigenlijk niet wat hij met al het geld aan moet. 
Genoeg zilver en goud.[i] Stallen vol paarden, mooie wagens…

Je zou kunnen zeggen dat er ook een leiderschapscrisis is. 
De leiding van het land, het gaat richting een kleuterklas, alsof kleine kinderen aan het regeren zijn.[ii]
Ondertussen gedragen ze zich wel als grote jongens.
Snelle jongens, die meer met zichzelf bezig zijn en hun eigen belangen, dan met het volk.
Ze onderdrukken het volk.[iii]
Het gepeupel.
En zelf leven ze van steekpenningen, wederdiensten, u kent dat allemaal wel.[iv]

Hun vrouwen lopen er ondertussen parmantig bij.
Neus omhoog, zo’n uitgestrekte hals krijg je ervan.
Ze lopen deftig over straat. 
Met van die kleine pasjes…
De dames etaleren zichzelf alsof ze op een catwalk lopen, een modeshow met hun dure jassen, tassen, jurken, hoofddoeken, hemdjes en sjaaltjes.[v]
Ze hebben van die enkelbandjes om met belletjes.
Blijkbaar is dat hip.
Je hoort hun sieraden rinkelen. 
Zie mij, zie mij…

O ja, dat vergat ik nog te zeggen.
Wat wel mooi is, tenminste dat dacht ik, wat wel mooi is dat in het centrum van de stad een prachtig gebouw staat.
Echt zo’n eentje waarvan je foto’s zou willen maken.
Leuk voor op Facebook en Insta en zo.

En in dat gebouw wordt God aanbeden.
Het is mooi dat daar, ook in onrustige tijden, dat daar de dienst gewoon doorgaat.[vi]
De lofzang wordt gaande gehouden.

Op straat zingt ook een man.
Wie niet beter weet, denkt “een straatmuzikant”.

En ik weet niet hoe dat bij u is.
Maar ik blijf meestal toch even staan.
Even luisteren.
Gelukkig zingt hij in onze eigen taal, zodat je goed kunt verstaan wat hij zingt.

Hoor maar.

Hij kondigt een nummer aan:
Ik wil graag voor mijn Beminde zingen.

Ah, een liefdeslied.
Liefdesliederen, die doen het altijd goed.
Ik hou van jou.
Ik blijf je trouw.

U kent dat wel.

Luister:
Ik wil graag voor mijn Beminde zingen
een lied van mijn Geliefde over Zijn wijngaard.[vii]

Huh, dat is dus niet het zoveelste liefdeslied.
Het gaat over een wijngaard.
Zijn beminde zal wel een wijnboer zijn of zo.
Een landman, noemde je dat vroeger.

Hoor! Hij speelt en zingt.
‘Mijn Beminde had een wijngaard,
op een heuvel met goede grond.
Hij werkte hard op die grond.
Hij haalde de stenen eruit
en plantte er de mooiste soorten druiven.
Hij bouwde er een toren
voor het bewaken van de wijngaard.
Hij maakte er een plek
om de druiven te persen.
Toen verwachtte hij goede druiven,
maar hij kreeg alleen maar slechte, stinkende druiven.’[viii]

De zanger stopt met zingen.

Dat is jammer, want je zou toch willen weten hoe het verder gaat.
Het lied is niet echt helemaal af, voor je gevoel.
Mensen kijken elkaar een beetje verbaasd aan.

De zanger begint met praten.

3Nu dan, inwoners van Jeruzalem en mannen van Juda, oordeel toch tussen Mij en Mijn wijngaard.
4Wat is er nog meer te doen aan Mijn wijngaard, dan wat Ik eraan gedaan heb?
Waarom heb Ik verwacht dat hij goede druiven zou voortbrengen, terwijl hij slechts stinkende druiven voortbracht?[ix]
Nee, dat is inderdaad vervelend.

“Wat een slechte wijngaard”, denken de mensen.
Weg ermee!

De zanger praat door.
5Nu dan, Ik wil u graag bekendmaken wat Ik met Mijn wijngaard ga doen:
Ik zal zijn omheining wegnemen, zodat hij verwoest zal worden;
Ik zal een bres slaan in zijn muur, zodat hij vertrapt zal worden.
6Ik zal er een wildernis van maken.
Hij zal niet gesnoeid worden of geschoffeld, maar dorens en distels zullen er opschieten.
En Ik zal de wolken gebieden geen regen erop te laten neerkomen.
7Want de wijngaard van de HEERE van de legermachten is het huis van Israël, en de mannen van Juda zijn Zijn lievelingsplant.
Hij verwachtte goed bestuur, maar zie, het werd bloedbestuur, gerechtigheid, maar zie, het werd geschreeuw.[x]

Gemeente.
U had het waarschijnlijk al door.
We zitten middenin de eerste vijf hoofdstukken van Jesaja.
Alles wat ik tot heden gezegd heb, ontleen ik aan die eerste vijf hoofdstukken.
Vanaf het begin van de preek af dus, nam ik u 2700 jaar terug in de tijd. Naar de tijd van Jesaja.
Misschien zag u overeenkomsten met nu, maar dat is aan u.

Jesaja.
Met de startdag preekte collega De Pater over het eerste hoofdstuk.
U herinnert zich dat vast nog wel.
Die aangrijpende woorden.

2Luister, hemel,
neem ter ore, aarde!
Want de HEERE spreekt:
Ik heb kinderen grootgebracht en doen opgroeien,
maar zíj zijn tegen Mij in opstand gekomen.

Al in het eerste hoofdstuk schreeuwt Jesaja het uit!
Wat zeg ik.
Schreeuwt de HEERE Zelf het uit.
Wat?

Ik heb kinderen grootgebracht en doen opgroeien,
maar zíj zijn tegen Mij in opstand gekomen.

Ik heb ze bevrijd uit Egypte.
Ik heb ze geleid door de woestijn.
Ik heb ze in het Beloofde Land gebracht.

Maar nu…
zíj zijn tegen Mij in opstand gekomen.

Afval!
God weggeschoven.
Aan de kant geschoven.
God afgedankt.

3Een rund kent zijn bezitter
en een ezel de kribbe van zijn eigenaar,maar Israël heeft geen kennis,
Mijn volk heeft geen inzicht.

Ja, als het volk kennis had, omgangskennis met de HEERE, dan zouden ze toch niet bij Hem weg te slaan zijn?
Maar Israël heeft geen kennis.
Ze kent Hem niet. 
Ze weet niet Wie Hij is.
Ze heeft geen inzicht.

En daarom roept Jesaja al in het eerste hoofdstuk:
4Wee het zondige volk,
volk van zware ongerechtigheid…”

In hoofdstuk vijf volgt er nog zes keer “Wee”.[xi]

Eén: Wee de mensen die steeds meer huizen en land kopen. Straks is het hele land van hen.
Dan is er geen plaats meer voor anderen.
Het zal slecht met hen aflopen. 
Al hun huizen zullen verwoest worden.[xii] 

Twee: Wee hen die ’s morgens vroeg opstaan en zich de hele dag voldrinken op hun feesten met harp en luit, tamboerijn en fluit.
Zij zullen in ballingschap gaan. 
Het graf zal zijn keel wijd opensperren en zijn muil wagenwijd opendoen.[xiii]

Drie: Wee hen die de ongerechtigheid en de zonde naar zich toe trekken. Spottend roepen ze: “Haha, waar blijft de Heer toch? Laat hij opschieten! Laat hij zijn werk afmaken!” 
Het zal slecht met hen aflopen.[xiv]

Vier: Wee hen die het kwade goed noemen en het goede kwaad.
Die duisternis voorstellen als licht, en licht als duisternis.
Die bitter voorstellen als zoet en zoet als bitter.
Het zal slecht met hen aflopen.[xv]

Vijf: Wee hen die in hun eigen oog wijs zijn en naar hun eigen mening verstandig.
Het zal slecht met hen aflopen.[xvi]

Zes: Wee hen die te veel wijn drinken. Worden ze dronken, dan durven ze alles. Rechters laten zich omkopen: goddelozen stellen zij in hun gelijk vanwege geschenken, maar de rechtvaardigen ontnemen zij hun recht. Het zal slecht met hen aflopen![xvii]

Zes keer “Wee!”.
En dan kondigt Jesaja het oordeel van de HEERE aan.

24Ik zal ze allemaal straffen, die mensen die zich tegen mij verzetten! Er blijft niets van hen over. Zoals er niets overblijft van droog gras dat verbrandt in het vuur.
Ik, de machtige Heer, (…) heb die mensen geleerd hoe ze moeten leven. Maar zij hebben niet naar Mij geluisterd!”

Jesaja heeft het dan over dode mensen die als vuil op straat zullen liggen.[xviii]

Afschrikwekkend toch?
Maar daarmee is de woede van de HEERE nog niet gestild. 
Op teken van de HEERE Zelf zullen volken uit verre streken het land aanvallen en verwoesten.[xix]

Ik zeg het u eerlijk gemeente.
Die eerste hoofdstukken van Jesaja hebben me de afgelopen weken, maanden erg beziggehouden. En nog steeds.
De hoofdstukken hebben me geschokt, verward.

En het flitste door mijn hoofd: “Wat heeft dat alles ons nu, hier te zeggen?”.
Wij hebben toch Johannes 15? Het lied waarover dominee van Dis onlangs preekte.[xx]
En daarbij dacht ik ook: “Doen we er wel goed aan dit hele boek dit jaar door te nemen? Juist nu in corona-tijd?”

Liever zou je toch iets nemen uit het Nieuwe Testament.
Zoals vorig jaar met de eerste Petrusbrief.
Of een brief van Paulus.

Plotseling begreep ik ook de ketters uit de Vroege Kerk, die de God van het Oude Testament een lagere God noemden dan de God van het Nieuwe Testament. Marcion[xxi], Mani[xxii].

Zij zeiden: De God van het Nieuwe Testament is liefde.
De god van het Oude Testament is wraakzuchtig, oordeelt, straft ongehoorzaamheid. Die is eigenlijk helemaal niet zo aardig.
Er moeten dus wel twee goden zijn. Een lage god van het Oude Testament en een hogere God, Die liefde is, van het Nieuwe Testament.

Plotseling begreep ik hoe iemand als Marcion er toe kwam om het in zijn bijbel te houden bij Brieven van Paulus en het evangelie naar de beschrijving van Lukas, Tenminste, voor zover het in zijn theologie paste.
Hij hield een heel dun Bijbeltje over.[xxiii]

En ik dacht: loop ik niet hetzelfde gevaar?
Lopen wij niet hetzelfde gevaar?
Dat we in de Schrift selecteren wat ons past of welgevallig is?
En dat we uiteindelijk een heel dun Bijbeltje over houden?
Een Bijbeltje die past bij wat wij van God vinden…
Een Bijbeltje die past bij het beeld dat wij van God maken?

De HEERE heeft toch niet voor niets ook Jesaja in de Bijbel laten zetten?
De Heilige Geest heeft er toch niet voor niets voor gezorgd dat ook Jesaja in de canon kwam?

Wij zeggen – als reformatorische, gereformeerde, hervormde christenen – ‘sola Scriptura’ (alleen de Schrift) en ‘tota Scriptura’ (heel de Schrift).
Maar hoe vaak wordt er niet gepreekt vanuit Jesaja vanaf hoofdstuk 40, dat begint met de woorden: “Troost, troost Mijn volk”[xxiv]

Hoe weinig wordt er niet gepreekt uit het eerste deel van dit boek, de hoofdstukken 1 tot en met 39.[xxv]

Vanmorgen lazen we Jesaja 6.
Een hoofdstuk dat je aan het begin van het boek zou verwachten.
Maar bij Jesaja is dat dus anders.

Na de eerste vijf hoofdstukken belanden we plotseling in het sterfjaar van koning Uzzia.
Uzzia, ook wel Azarja genoemd[xxvi], was koning van het koninkrijk Juda. 
In 2 Koningen lezen we dat hij de offerplaatsen voor de afgoden liet bestaan en dat de Judeeërs daar bleven offeren. 
Afgodendienst dus.
Het volk loopt andere goden achterna en de koning doet daar niets tegen.

In 2 Kronieken kunt u lezen hoe Uzzia op het toppunt van zijn macht hoogmoedig wordt.
De succesvolle militaire leider overtreedt het gebod van de HEERE, door in de tempel een reukoffer te brengen op het reukofferaltaar. 
Iets dat voorbehouden is aan de priesters, de afstammelingen van Aäron. 
Daarom wordt hij door de HEERE gestraft met huidvraat, melaatsheid. Zijn laatste jaar brengt hij dus in afzondering door. 

Vanmorgen belanden we in 740 voor Christus.
Het sterfjaar van deze koning.

Jesaja is in de tempel.
En in visioen hij ziet de HEERE zitten op een hoge en verheven troon.
De zomen van Zijn gewaad vullen de hele tempel.
Duidelijk is dat de tempel God eigenlijk niet kan bevatten.[xxvii]

Boven de Heere zijn serafs, engelen.
God zit. De serafs staan, vliegen.
Elke engel heeft zes vleugels.
Met twee vleugels bedekt iedere engel zijn gezicht.  
Ongetwijfeld vanwege het diepe respect voor God.
Met twee vleugels bedekt iedere engel zijn voeten.
Met de laatste twee vleugels vliegen de engelen.

De engelen roepen elkaar iets toe.
Luister: “Heilig, heilig, heilig is de HEERE van de legermachten; heel de aarde is vol van Zijn heerlijkheid!”
Ja, daar is in Israël op dat moment niet veel van te zien, van die heerlijkheid.
En toch: de engelen zingen het: ‘Heilig, heilig, heilig’.

De heiligheid van God.
U zult het komend jaar wel merken dat de heiligheid van God een hoofdthema is bij Jesaja.[xxviii] 
God is heilig, en daarmee onderscheidt Hij Zich van Zijn schepselen, van ons dus.

Tegelijkertijd doet dat wel een moreel appel op ons: “Wees heilig, want Ik ben heilig”.[xxix]

Ondertussen beven de deurposten van de tempel en wordt de tempel vervuld met rook.[xxx]

En dan roept Jesaja weer “Wee”.
En let op:
Niet “Wee het zondige volk”.
Niet “Wee de huizen en landkopers”.
Niet “Wee de feestvierders”.
Niet “Wee de spotters en uitdagers van God”.
Niet “Wee hen die het kwade goed noemen en het goede kwaad”.
Niet “Wee hen die in hun eigen oog wijs zijn…”.
Niet “Wee hen die te veel wijn drinken”. 

Nee, Jesaja roept nu iets anders.
“Wee mij, want ik verga!”
Anderen heeft hij op de zonde, op de afval gewezen.
Anderen heeft hij opgeroepen tot bekering, tot omkering, tot terugkeer.
Maar nu, nu hij zelf de HEERE ziet…
“Wee mij, want ik verga!”

Het deed me denken aan Johannes op Patmos.
Als Hij de verheerlijkte Heere Jezus ziet.
“En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten…”[xxxi]
“Wee mij, want ik verga! – roept Jesaja – waarom? 

Ik ben immers een man met onreine lippen
en woon te midden van een volk met onreine lippen.
Mijn ogen hebben namelijk de Koning, de HEERE van de legermachten, gezien”.

In de confrontatie met God heiligheid, met Gods heerlijkheid, beseft Jesaja pijnlijk zijn onreinheid.
Ik deug voor God ook niet!
Wie met één vinger naar een ander wijst, wijst met vier vingers naar zichzelf. (nou ja, drie en een duim).

Hier beseft Jesaja beseft:
Ik ben (immers) een man met onreine lippen.

Mijn spreken is niet volmaakt.
Mijn spreken is gebrekkig.
Mijn profeteren is gebrekkig.

Onreine lippen.
Dat geldt trouwens ook voor het volk, Vandaar ook het:

en (ik) woon te midden van een volk met onreine lippen.

Als man met onreine lippen, roept hij uit.
Ik verga, want “Mijn ogen hebben namelijk de Koning, de HEERE van de legermachten, gezien”.

Het is opmerkelijk dat in de Talmoed[xxxii] is beschreven hoe dit één van de aanklachten is van koning Manasse tegen Jesaja.[xxxiii]
Had de HEERE immers niet tegen Mozes gezegd: “U zou Mijn aangezicht niet kunnen zien, want geen mens kan Mij zien en in leven blijven”.[xxxiv] [xxxv]

Geconfronteerd met Zijn heiligheid, Zijn heerlijkheid buigt Jesaja het hoofd.
Wij toch ook. Wij kunnen geconfronteerd met Zijn heiligheid en heerlijkheid toch ook alleen het hoofd buigen.

Maar zie, waar Jesaja denkt te vergaan vliegt een van de serafs naar hem toe.
God kent de beperkingen van Zijn dienaar.
De seraf heeft een gloeiende kool in zijn hand, die hij met een tang van het altaar heeft genomen.[xxxvi]
Met de gloeiende kool raakt de engel zijn mond aan en zegt:
“Zie, deze heeft uw lippen aangeraakt.
Zo is uw misdaad van u geweken en uw zonde verzoend.”[xxxvii]

Alleen zo kan Jesaja voor God bestaan en spreken tot Zijn eer.
Als verzoende… de mond van de HEERE zijn.

Direct klinkt Zijn Stem:
“Wie zal Ik zenden? Wie zal er voor Ons – Vader, Zoon en Heilige Geest – gaan?”

Wie moet namens de Drie-enige God spreken?
Let op: Jesaja wordt niet gedwongen.
Hij zoekt altijd bereidwillige vrijwilligers, geen gedwongen dienstplichtigen.

Toen zei ik: Zie, hier ben ik, zend mij.

Jesaja is tot dienst bereid.[xxxviii]

“Ga en zeg tegen dit volk: Luister voortdurend, maar u zult het niet begrijpen.
Zie voortdurend, maar u zult het niet opmerken.”

Dat is toch erg?
Elke prediker wil toch dat er niet alleen geluisterd wordt, maar begrepen?
Elke prediker wil toch dat er gezien en opgemerkt wordt.

Er is toch geen prediker te vinden die denkt: “Nou ja, ik preek wel, maar de mensen snappen er toch niets van.
Ze leven hun leventje en denken, laat die man op zondag maar lekker praten, wij zitten onze tijd wel uit op zondag. Prima hoor!”.


Maar hier geeft God de opdracht:
“Maak het hart van dit volk vet, en stop hun oren toe, en sluit hun ogen; anders zullen zij met hun ogen zien, en met hun oren horen, en met hun hart begrijpen en zich bekeren, en zal Hij hen genezen”.

Zo is God blijkbaar ook.
Hij wil niet dat er gehoord wordt, dat er gezien wordt, begrepen wordt.
Hij wil niet dat het volk zich bekeert…

Daar sla je toch van achterover?
Of spreekt Hij hier bij wijze van spreken als cynische vader, die zijn zoon betrapt heeft op drugsgebruik en die zoon wil niet luisteren: “Je blowt je maar helemaal suf”.

“Maak het hart van dit volk vet, en stop hun oren toe, en sluit hun ogen; anders zullen zij met hun ogen zien, en met hun oren horen, en met hun hart begrijpen en zich bekeren, en zal Hij hen genezen”.
Het oordeel is onafwendbaar en staat vast.[xxxix]

Daarom Jesaja’s vraag: “Hoelang, Heere?”
Is er een grens aan het oordeel?
U zult toch niet voor altijd verstoten?[xl]

Het antwoord is in hier in dit hoofdstuk hard:
“Totdat de steden verwoest zijn, zodat er geen inwoner meer is, en de huizen, zodat er geen mens meer in is, en het land verworden is tot een woestenij.
Want de HEERE zal de mensen ver weg doen gaan, en de verlatenheid in het land zal groot zijn.
Al zal daarin nog een tiende deel over zijn, het zal weer verwoest worden.”

Het oordeel is al voltrokken,

Toch (gelukkig!) is de situatie niet geheel hopeloos, vanwege het laatste vers.
“Maar zoals van de eik en de haageik na het omhakken een stronk overblijft, zal hun stronk een heilig zaad zijn”.

We zien er een verwijzing in naar het eerste vers van Jesaja 11.
“Want er zal een Twijgje opgroeien uit de afgehouwen stronk van Isaï, en een Loot uit zijn wortels zal vrucht voortbrengen”.

Door de oordelen heen blijven Gods beloften staan.
Het bittere oordeel loopt uit op een nieuw hoopvol begin.

Maar zover is het nog niet…
Het is voor Jesaja nog toekomstmuziek…

Ondertussen aangrijpende woorden.
Aangrijpende woorden, die we ook in het Nieuwe Testament tegenkomen.

We lazen erover in Johannes 12. Over het ongeloof van de Joden in Jeruzalem.
We hoorden daarbij Jezus zeggen:
45En wie Mij ziet, ziet Hem Die Mij gezonden heeft.
46Ik ben een licht, in de wereld gekomen opdat ieder die in Mij gelooft, niet in de duisternis blijft.

Jezus citeert de woorden uit Jesaja ook in de gelijkenis van de zaaier.[xli]

Maar tegen Zijn discipelen, tegen ons zegt Hij: 16Maar uw ogen zijn zalig omdat zij zien, en uw oren omdat zij horen.”

Zalig ben je, als je in Jezus de Christus herkent.
Als je Hem gelooft, Hem belijdt.

Aan het einde van de Handelingen, in Handelingen 28 werpt Paulus de woorden van Jesaja aan de Joden in Rome voor als hij zegt:
25 (…) Terecht heeft de Heilige Geest door Jesaja, de profeet, tegen onze vaderen gezegd:
26Ga naar dit volk toe en zeg: Met het gehoor zult u horen, maar beslist niet begrijpen, en ziende zult u zien, maar beslist niet opmerken,
27want het hart van dit volk is vet geworden en zij hebben met de oren slecht gehoord, en hun ogen hebben zij dichtgedaan, opdat zij niet op enig moment met de ogen zouden zien en met de oren horen en met het hart begrijpen, en zij zich zouden bekeren en Ik hen zou genezen.

En voegt hij eraan toe:
28Laat het u dan bekend zijn dat de zaligheid van God aan de heidenen gezonden is, en die zullen luisteren.”

Die heidenen, dat zijn wij…

Daarom tot slot twee dingen.

Eén: Bid voor Israël.
In Romeinen 9 zegt Paulus “Ik zou zelf wel wensen vervloekt te zijn, weg van Christus, ten gunste van mijn broeders, mijn verwanten wat het vlees betreft.”

Dat is herkenbaar toch?
Wij kunnen dat toch ook voelen als een geliefde, misschien wel je eigen kind niet gelooft. Het geloof vaarwel zegt.

Paulus had dat met zijn eigen volk.
De apostel onder de heidenen, was immers een Jood.
Hoeveel weerstand heeft hij van zijn broeders naar het vlees niet te dragen gehad. Maar toch: hij gunt hen het beste!

Temeer omdat het waar is: “De zaligheid is uit de Joden”[xlii].
U zou heel Romeinen 9 tot en met 11 eens door moeten lezen.
Daarin zegt Paulus:
“Door hun val echter – dat is: door hun weigering Jezus als Messias te herkennen en te erkennen – is de zaligheid tot de heidenen gekomen om hen tot jaloersheid te verwekken.”
Even verder schrijft hij: “Ik wil niet, broeders, dat u geen weet hebt van dit geheimenis (opdat u niet wijs zou zijn in eigen oog), dat er voor een deel verharding over Israël is gekomen, totdat de volheid van de heidenen is binnengegaan.

God strekt Zich uit naar de hele heidenwereld.
Inclusief Vreeswijk, Nieuwegein.
Ook naar u, naar jou en mij.
Totdat de volheid van de heidenen is binnengegaan.
En daarna:
26En zo zal heel Israël zalig worden, zoals geschreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob.”

Dat brengt ons bij het tweede.
Geloof!
Luister!
Gehoorzaam!
En stel je net als Jesaja beschikbaar.
Elke dag opnieuw.
Niet krampachtig, maar als iemand die zich geeft aan Iemand Die Zich helemaal weg heeft gegeven. Tot op het kruis.

Alzo lief had God – vul je eigen doopnaam maar in – dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft…

Onze liefde is wederliefde.
Ons beschikbaar stellen, kan dankzij Zijn beschikbaarheid.
Ben je bereikbaar, ben je beschikbaar? Dan ben je ook bruikbaar in Zijn handen.
Gij zult is ook een belofte!

Denkend aan een slot, reikte Helma mij een lied aan.
En de tekst lezend, dacht ik:
“Mooier dan het lied dat zo gezongen wordt, kan ik het niet zeggen:
Hier ben ik Heer: vul mij.
Hier ben ik Heer: vorm mij.
Hier ben ik Heer: leid mij.
Hier ben ik Heer: zend mij.

Leid mij steeds op al mijn wegen,
Draag mij door het duister.
Laat uw Geest regeren in mijn hart.
Dan zal ik uw woorden spreken,
In uw taal van liefde.
Laat uw Geest regeren Vader,
Ik wil van U leren Vader.
Laat uw Geest regeren in mijn hart.

Hier ben ik Heer: vul mij.
Hier ben ik Heer: vorm mij.
Hier ben ik Heer: leid mij.
Hier ben ik Heer: zend mij.

Amen. 


[i] Jes. 2:7.
[ii] Vgl. Jes. 3:1-7.
[iii] Vgl. Jes. 3:8-12.
[iv] Vgl. Jes. 1:23.
[v] Vgl. Jes. 3:16-20.
[vi] Vgl. Jes. 1:11-15.
[vii] Vgl. Ps. 80:9-20. Denk vooral ook aan Johannes 15:1-8.
[viii] Jes. 5:1-2.
[ix] Net als Nathan gebruikt Jesaja hier een parabel. David zei na het horen van de parabel: “Zo waar de HEERE leeft, voorzeker, de man die dat gedaan heeft, is een kind des doods!”. En velde zo zijn eigen oordeel. Zie 2 Sam. 12:1-12.
[x] Jes. 5:3-7.
[xi] Jes. 5:8-24.
[xii] Vgl. Jes. 5:8-10.
[xiii] Vgl. Jes. 5:11-17.
[xiv] Vgl. Jes. 5:18-19.
[xv] Vgl. Jes. 5:20.
[xvi] Vgl. Jes. 5:21
[xvii] Vgl. Jes. 5:22-23.
[xviii] Jes. 5:25.
[xix] Jes. 5:26-30.
[xx]https://www.hervormdvreeswijk.nl/index.php?option=com_docman&task=doc_download&gid=1217&Itemid=751, d.d. 2020-10-17.
[xxi] Zie bijvoorbeeld https://nl.wikipedia.org/wiki/Marcion_van_Sinope. Zie ook https://vroegekerk.nl/links.php?id=6&sub=5, d.d. 2020-10-17.
[xxii] Zie bijvoorbeeld https://nl.wikipedia.org/wiki/Mani_(profeet). Augustinus stond in het begin ook onder zijn invloed.  https://vroegekerk.nl/content.php?id=11, d.d. 2020-10-17.
[xxiii] Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Evangelie_volgens_Marcion, d.d. 2020-10-17.
[xxiv] Jes. 40:1.
[xxv] Jesaja 2:1-4, Jesaja 7, Jesaja 9 en Jesaja 11 komen in adventstijd nog wel eens terug.[xxvi] Zie 2 Kon. 15 en 2 Kron. 26.
[xxvii] Vgl. 1 Kon. 8:27.
[xxviii] Hij noemt de HEERE dan ook “De Heilige van Israël” of “De Heilige van Jakob”.
[xxix] Zie Lev. 19:2; 21:8 en 1 Pet. 1:16.
[xxx] Vgl. Ex. 19:18; zie ook Handelingen 4:31.
[xxxi] Openbaring 1:17.
[xxxii] Zie https://historiek.net/geschiedenis-van-de-talmoed/9364/, d.d. 2020-10-17.
[xxxiii] Zie Yevanot 49b6-50a2; https://www.sefaria.org/Yevamot.49b.6?lang=bi&with=all&lang2=en, d.d. 2020-10-17.
[xxxiv] Ex. 33:20.
[xxxv] Het tweede gedeelte wat wij vanmorgen lazen Johannes 12 lijkt ook te suggereren dat Jesaja Jezus in Zijn heerlijkheid gezien heeft, de tweede persoon dus uit de Drie-eenheid. Jezus voor Zijn vlees- of menswording. Vgl. A.M. Berkhoff, De Christusregeering of het in Openbaring XX in aansluiting bij de gansche Profetie der Heilige Schrift beloofde Duizendjarig Rijk, Kampen: J.H. Kok, 1929, 123. Zie ook Heb. 1:3 en Joh. 1:18.
[xxxvi] Zoals de kool deelt in de heiligheid van het altaar waaruit hij genomen wordt, zo mag Jesaja zich ook gereinigd weten. Vgl. Ps. 51:4 en 9.
[xxxvii] Vgl. Jer. 1:9.
[xxxviii] Dat doet denken aan Paulus die in Handelingen 9:20 direct gaat preken in de synagogen, dat Jezus, de Messias is, de Zoon van God.
[xxxix] Vgl. Jes. 1:24-25; 2:6, 9-22; 3:1-4:1, 6:13-17, 24-26.
[xl] Vgl. ook Romeinen 11, wat uitloopt op de lofzang: 33O, diepte van rijkdom, zowel van wijsheid als van kennis van God, hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen en onnaspeurlijk Zijn wegen! 34Want wie heeft de gedachten van de Heere gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest? 35Of wie heeft Hem eerst iets gegeven en het zal hem vergolden worden? 36Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid, tot in eeuwigheid. Amen.”
[xli] Mat. 13:1-23, Mar. 4:2-20, Luk. 8:1-15.
[xlii] Joh. 4:22.

Categorieën:

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s