Geleid door Verheven hand

Preek over Genesis 37:1-11 gehouden op 11 september 2022 in de Dorpskerk van Vreeswijk (Nieuwegein).

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Er zijn mensen die het bij een spannend boek doen.
Soms ook bij een liefdesverhaal.

Wat?

Snel even kijken naar de laatste bladzijde.

Bij een spannend boek snel even kijken: Wie heeft het gedaan?
En bij een liefdesroman: Zullen Piet en Beppie elkaar in de armen vallen en hartstochtelijk kussen?

Bij het verhaal, de geschiedenis van Jozef speelt ook zoiets. 
Ik denk zo dat de meesten van ons de geschiedenis van Jozef kennen.

Hoe die geschiedenis afloopt.

En als u het niet weet, dan ga ik het niet verklappen, want het is nooit leuk als iemand bij een boek of film verklapt hoe het afloopt. Zelf lezen vandaag!

We lazen de eerste elf verzen van Genesis 37.
Waarin we kennis maken met Jozef.

Als nu eens iemand aan Jozef zou vragen:
‘Joh vertel eens… Wie zijn jouw vader en moeder? Heb je broers, zussen? Uit wat voor familie kom je eigenlijk?’

Wat zou Jozef dan antwoorden, denk je?

Zou hij eerst vertellen over zijn vader Jakob?
Over zijn grootvader Izak en overgrootvader Abraham? 

Of vertelt een 17-jarige eerst over zijn moeder?
Zijn lieve moeder Rachel…

Zou hij allereerst zeggen: Mijn moeder leeft niet meer?

‘Joh vertel eens… Wie zijn jouw vader en moeder? Heb je broers, zussen? Uit wat voor familie kom je eigenlijk?’

Mijn moeder leeft niet meer.
Zij stierf toen mijn broertje geboren werd: Benjamin.
Toen hij werd geboren noemde zij hem Ben-oni, dat betekent: zoon van mijn pijn. 
Maar mijn vader noemde hem toen en noemt hem nu Benjamin, zoon van de rechterhand.[i]

En zo noemen we hem ook: Benjamin.

‘Och, dus vanaf toen je een broertje kreeg, had je geen moeder meer?’

Nou ja… ik heb nog wel… eh, hoe zeg je dat. Ik heb nog wel één eh drie stiefmoeders.

Drie?
Ja, dat is een lang verhaal.
Eh, waar zal ik beginnen.

Mijn vader had ruzie met zijn broer, ome Ezau.
Dat komt omdat mijn vader via een list het eerstgeboorterecht had weten te krijgen.
Eigenlijk door mijn opa Izak te bedriegen.

Bedriegen?
Ja, dat is ook zo’n geschiedenis. 
Het idee kwam trouwens van mijn oma Rebekka.
Die had gehoord dat opa Izak de zegen aan ome Ezau wilde geven en toen heeft zij tegen mijn vader gezegd:
‘Luister Jakob, ik heb je vader tegen Ezau, je broer, horen zeggen: Breng me een stuk wild en maak een smakelijk gerecht voor me klaar om op te eten; dan zal ik je voor het aangezicht van de HEERE zegenen, vóór mijn dood.

Ga snel naar de kudde en haal daar voor mij twee goede geitenbokjes. Dan zal ik daarvan een smakelijk gerecht voor je vader klaarmaken, zoals hij het graag heeft.
Dan moet jij dat naar je vader brengen en hij zal het eten. En dan zal hij jou zegenen, in plaats van Ezau, vóór zijn dood.’[ii]

Nou, dat gebeurde dus.
Maar omdat oma Rebekka wel door had dat ome Ezau heel boos zou worden, zei ze: ‘Vlucht maar naar mijn broer in Paddan-Aram en trouw daar maar met een van zijn dochters’.

En toen is mijn vader naar dat gebied gegaan en in Haran gekomen. Daar heeft trouwens zijn opa Abraham ook nog gewoond.

En toen? Toen ontmoette hij je moeder?
Ja, maar…

Mijn vader werd verliefd op mijn moeder.
En ome Laban zei dat ze met elkaar mochten trouwen als hij zeven jaar voor hem zou werken.
Maar toen hij dat gedaan had, en dacht te trouwen met mijn moeder, bleek na de huwelijksnacht, dat hij met mama Lea had geslapen. En dus met Lea was getrouwd.
En toen moest hij beloven nog zeven jaar te werken. Dan mocht hij ook met mijn moeder trouwen.[iii]

Maar je moeder is gestorven. Dan zou je nu toch nog maar één stiefmoeder hebben? En net zei je dat je nog drie stiefmoeders had.

Ja, eh, hoe moet ik dat uitleggen.

Kijk. 
Mama Lea had wel door papa meer van mijn moeder hield dan van haar.
En toen dacht ze: ‘Als ik nou een zoon krijg. Dan zal hij wel meer van mij gaan houden’.

Nou ja. 
Ze werd zwanger en toen werd mijn oudste broer Ruben geboren.
Daarna werd Simeon geboren.
Daarna Levi en daarna Juda.[iv]

En, hield je vader toen meer van Lea?
Nee, niet echt…


O, vervelend voor haar. Maar je hebt dus vier broers!

Wacht even.

Toen mijn moeder zag dat Lea wel kinderen kreeg en zij niet, werd ze een beetje jaloers. 
En vooral verdrietig, denk ik.
Daarom bedacht ze een plannetje.
Als mijn vader nu naar bed zou gaan met haar slavin Bilha, en die Bilha zou zwanger raken en baren op de schoot van mijn moeder, dan werd het kind dat geboren wordt gerekend als haar kind.
Dan had ze dus ook een kind, hoewel ze het zelf niet gebaard had.

Bij mijn overgrootvader Abraham is ook zoiets gebeurd.

En?

Nou Bilha raakte inderdaad zwanger. 
En zo werd Dan geboren. En later Naftali.

Mijn moeder was er heel blij mee.

Maar toen werd Lea weer jaloers, omdat het qua zonen nu 4-2 was geworden. 
En vader Jakob hield nog steeds het meest van mijn moeder.

Daarom gaf Lea haar slavin Zilpa aan mijn vader en zo werden Gad en Aser geboren. 6-2.

Lea kreeg daarna zelf nog Issaschar en Zebulon. 8-2.

En toen ook nog Dina, een meisje.

En pas toen ben ik geboren.
Als eerst ‘echt’ kind van Rachel.
Mijn moeder zei bij mijn geboorte ‘God heeft mijn schande weggenomen!’. 

Zo heeft ze het dus ervaren.[v]

En later werd dus Benjamin geboren…
Mijn vader heeft dus twaalf zonen en één dochter.

Nou ja, omdat Benjamin is gestorven heb ik dus tien broers en één zus.

Leuke zus?

Ja!
Dat vonden ze trouwens in Sichem ook…
Mijn zus is daar verkracht.
Maar goed, Simeon en Levi hebben uiteindelijk alle mannen daar gedood…[vi]

Je merkt wel.
Er komt heel wat los als iemand vraagt: 
Joh vertel eens… Wie zijn jouw vader en moeder? 
Heb je broers, zussen? 
Uit wat voor familie kom je eigenlijk?’

Misschien herkent u dat wel.
Als u vertelt over uw vader en moeder.
Over eventuele broers en zussen.
Over uw familie.

Iemand zei me ooit ‘Ik ben de enige normale in de familie’.

Misschien dacht Jozef dat ook…

Maar wat mij het meest opvalt.
Zelfs heel blij maakt.
Dat zijn niet al die kromme, vreemde en verkeerde dingen, waarvan je denkt ‘Tjonge, jonge…’.

Maar het feit dat dwars door al dat kromme, vreemde en verkeerde God werkt en de geschiedenis leidt.

God komt tot Zijn doel met die hele familie.
Dwars door alle heen doet God wat Hij belooft aan de overgrootvader van Jozef:
7Ik zal Mijn verbond maken tussen Mij, u en uw nageslacht na u, al hun generaties door, tot een eeuwig verbond, om voor u tot een God te zijn, en voor uw nageslacht na u.[vii]

Het is daarom ook goed te beseffen dat het in de geschiedenis van Jozef, niet om Jozef op zichzelf gaat, maar om hoe de God van Abraham, Izak en Jakob Zijn belofte vervult.

In dit en de komende hoofdstukken zal Jozef de hoofdfiguur zijn, maar het gaat uiteindelijk om de belofte aan Abraham.
Het gaat uiteidelijk om de broers en dan vooral om Juda.

Uit Juda zal Jezus voortkomen!

Ik zei net dat wat mij blij maakt is dat door al het kromme en verkeerde heen God werkt en de geschiedenis leidt.

En dat geeft hoop voor vandaag!
Voor ons als gemeente.
Maar ook persoonlijk.

Voor ons als gemeente, omdat je je ook wel eens af kunt vragen – en velen doen dat – hoe moet het allemaal verder met de gemeente.
Maar als we dan beseffen dat de gemeente niet een projectje van ons is, maar gemeente van Jezus Christus is, dan geeft dat hoop.

En verwachting.

Hetzelfde geldt voor het persoonlijke leven.
Soms kan het zo rommel zijn in je leven, dat je denkt: ‘Komt het ooit nog goed?’.

Je doet je best, maar alles lijkt wel bij de handen afgebroken te worden.

Hoe je je best ook doet. Alles lijkt spaak te lopen.

En dan toch te mogen vertrouwen, te mogen geloven, dat God er iets moois van zal maken…


Het leven is net een borduurwerkje zei iemand afgelopen week.
Wij kijken tegen de onderkant aan en zien allemaal draadjes, knoopjes, maar God ziet de goede kant. 

Wij nog niet…

Goed, dat even vooraf aan Genesis 37.
Laten we eens naar die eerste elf verzen kijken.

Waar Ezau in Edom woont[viii], woont Jakob weer in Kanaän, het land waar zijn vader Izak als vreemdeling gewoond heeft.
Jakob woont in de buurt van Hebron.

Zijn zoon Jozef werkt als herdersjongen samen met de zonen van Bilha (Rachel) en Zilpa (Lea). 

Zou hij veel met die jongens op hebben?
Ziet hij ze als echte broers? 

Of als halve broers.

Vindt hij ze aardig?

In ieder geval vermeldt vers 2 iets dat ons op het eerste gezicht niet zo prettig overkomt.
Er staat dat Jozef het kwade gerucht over hen aan hun vader over bracht.

Het hier gebruikte woord “gerucht” betreft altijd negatief gepraat, dat bovendien vaak niet (helemaal) waar is. 

Het lijkt erop dat Jozef zijn broers bij zijn vader in een verkeerd daglicht wil stellen.
Om zelf daardoor extra lief gevonden te worden.

Een nare eigenschap, denk ik zo.
Soms kun je beter zwijgen.


En toch.
Toch is het ook allemaal niet zo vreemd wanneer je bedenkt dat Ruben, de oudste, na het overlijden Rachel, met Bilha, de slavin van Rachel en bijvrouw van Jakob, naar bed is geweest.[ix]

Zo probeert Ruben zijn rechten als eerstgeborene te laten gelden en de leiding van de clan op zich te nemen.
‘Pa blijf jij maar bij Lea en Zilpa.
Voor Bilha en haar kinderen zal ik wel zorgen’.

Jakob vindt dat een slecht idee…

Die geschiedenis laat in ieder geval wel zien dat het rommelt in huize Jakob. 
Dat de verhoudingen scheef zijn.
Het zal er niet bepaald overstromen van liefde, denk ik zomaar.

Goed. 
Jozef vertelt door en Jakob luistert.

Jakob houdt ook meer van Jozef dan van zijn andere zonen. 
Ongetwijfeld heeft dat te maken met het feit dat Jozef de zoon van Rachel is.

Ik kan me zo voorstellen dat Jakob naar Jozef keek, naar Jozef luisterde en iets van Rachel zag en hoorde.

In gedachten, in zijn herinneringen wordt Rachel natuurlijk steeds mooier en liever.
‘Gelukkig heb ik Jozef nog. Wat een heerlijk jong…’, zoiets.

Ondertussen voelen de andere broers dat natuurlijk ook.


Dat is vandaag in gezinnen nog zo.
In klassen ook: ‘Je bent het lievelingetje van de meester…’

Pas daarvoor op!
Ook thuis!

Want het leidt uiteindelijk alleen maar tot ellende.

Bij de familie van Jakob kun je dat goed zien.
Izak houdt meer van Ezau dan van Jakob.
Rebekka houdt meer van Jakob dan van Ezau.
Jakob houdt veel meer van Rachel dan Lea.
En het maakt alles hopeloos ingewikkeld.

Dan laat Jakob een mooi bovenkleed maken voor zijn lievelingszoon. 
Het hoeft ons dan niet te verbazen dat de andere zonen Jozef beginnen te haten en niet meer vriendelijk met hem kunnen praten.

De situatie wordt nog erger als Jozef zijn dromen krijgt en deze aan zijn broers vertelt.

Gedreven (drie keer ‘en zie’) en enthousiast vertelt hij wat hij droomde. Hij is er helemaal vol van en mee.

Bij de broers raakt de buik vol. ‘Jozef, ik heb me er de buik van vol’. De hekel aan hem groeit alleen maar. De haat ook.

‘Luister toch naar deze droom die ik gehad heb’, roept Jozef enthousiast uit.
Zie, wij waren midden op de akker schoven aan het binden; en zie, mijn schoof stond op en bleef ook overeind staan. En zie, jullie schoven kwamen om hem heen staan en bogen zich voor mijn schoof neer.’

Jozef hoeft hier nog geen dromen uit te leggen.
De droom hoeft niet eens uitgelegd te worden. 
Het is direct duidelijk.

Schamper en ironische zeggen de broers: ‘Denk jij nu echt dat je over ons zult gaan heersen?! Dat geloof je toch zelf niet!’

‘De praatjesmaker Jozef heeft een lesje nodig…’, zullen ze gedacht hebben.
Maar wie leert hem een lesje?

De tweede droom gaat zelfs een stapje verder.
‘Zie, ik heb weer een droom gehad; en zie, de zon, de maan en elf sterren bogen zich voor mij neer’.

De broers hebben er de buik van vol, van die Jozef en zijn praatjes.
Maar als hij het aan hen en aan vader Jakob vertelt, dan wordt het zelfs Jakob te gortig.

Hij bestraft Jozef:
‘Wat is dat voor een droom die je gehad hebt? Moeten wij, namelijk ik, je moeder (doelt hij op Lea?) en je broers, soms naar je toe komen om ons voor jou ter aarde neer te buigen?’

Hij bestraft hem!
ader leest hem nu de les.

Maar hij haat hem niet.
Dat doen de broers wel.

Die tweede droom maakt hun afkeer van Jozef alleen maar groter.

Het Bijbelgedeelte eindigt dan met de woorden:

11Zijn broers waren jaloers op hem, maar zijn vader hield de zaak in gedachten’.

Vader denkt, overdenkt…
Zoals later Maria de woorden van de engel bewaart in haar hart.

Wij kennen de geschiedenis van Jozef.
Voor Jozef moet het op dat moment allemaal nog gebeuren.

Wij weten hoe zijn leven zal lopen.
Voor Jozef is die toekomst onbekend.

Voor ons is de nabije toekomst ook onbekend…

Van de week sprak ik erover op de Wijk Bijbelkring Noord.
De deelnemers aan die kring zijn allang geen 17 meer.

Maar allemaal hebben ze wel ervaren dat het leven anders is gelopen dan zij zich als 17-jarige voorstelden.

Als 17-jarige kun je dromen hebben, en daar is op zich niets mis mee, het hoort bij het jong zijn, maar hoe anders kan het leven verlopen.


Soms kun je ouder geworden terugdenken.
Als ik toen dit… dan had misschien dat…

Daar kun je ook in vastlopen.
Had ik maar…

Maar het ging zoals het ging.

En toch…

Alleen al het feit dat zij daar op die Bijbelkring zaten.
Alleen al het feit dat u hier vanmorgen bent.

Dat heeft alles te maken met de leiding van God in je leven.
Daarom staat boven de preek ‘Geleid door een verheven hand!’.

Hij leidt ons leven.
En tegelijkertijd hebben wij Zijn leiding te zoeken.

Dan bedoel ik niet Zijn hele plan voor je leven in de zin van ‘Als ik 76 ben dan zal op 11 september dit en op 12 september dat…’

Maar ik bedoel je aan Hem toevertrouwen.
Je leven in Zijn hand leggen.
Leven bij Zijn beloften en geboden.

Want Zijn leiding van je leven heeft een doel.

Daarom lazen we Romeinen 8:28-30.
28En wij weten dat voor hen die God liefhebben, alle dingen meewerken ten goede, voor hen namelijk die overeenkomstig Zijn voornemen geroepen zijn.

Alle dingen, ook de kwade dingen, ook de verdrietige dingen die er zijn naast het goede en blijde, alle dingen werken uiteindelijk mee ten goede aan het grote doel.

En dat grote doel lezen we in vers 29:
29Want hen die Hij van tevoren gekend heeft, heeft Hij er ook van tevoren toe bestemd om aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zou zijn onder vele broeders.

We worden herschapen naar het beeld van Jezus.
Zodat we steeds meer op Hem gaan lijken.
Daarbij geeft Hij ons richtingwijzers mee.

Richtingwijzers!
Let op! 

Die kant moet het op.

Geen andere goden.
Geen beelden.
Niet Zijn Naam misbruiken.
Enzovoorts.

30En hen die Hij er van tevoren toe bestemd heeft – om aan zijn Zoon gelijk te worden – die heeft Hij ook geroepen, en hen die Hij geroepen heeft, die heeft Hij ook gerechtvaardigd, en hen die Hij gerechtvaardigd heeft, die heeft Hij ook verheerlijkt.

Verheerlijkt zijn wij nu nog niet.
Dat komt nog.
Gerechtvaardigd zijn wij wel, door het geloof.
Daarom wachten wij, verwachten wij, verlangen we ernaar om aan Hem gelijk te zijn.

Nou dat hoorden we vorig seizoen in de Filippenzenbrief ook.[x]

Maar onderweg weten we, ervaren we geleid te worden door een onzichtbare hand.
En als is de nabije toekomst onbekend, straks zullen we zingen:

De toekomst is zeker, ja eindeloos goed.
Als ik eens moet sterven, als ik U ontmoet.
Dan droogt U mijn tranen, U noemt zelfs mijn naam.
U blijft bij mij Jezus, laat mij niet gaan.

Ons enige houvast is dat Hij ons vasthoudt.
Zijn Hand houdt ons vast en zal ons leiden.

Daarom eindig ik met gedicht van Nel Benschop dat zuster Adrie Lenten me na de Bijbelstudie stuurde.

U kunt meelezen vanaf het Weekbericht.

Geleid door een verheven hand!
Dat is beslist geen holle frase,
geen ongenuanceerd begrip,
geen loze kreet, die in extase
je leven met een waas omgeeft
van irreële denkpatronen.
’t Is ook geen leus waarmee je speelt
om je verantwoord “vroom” te tonen.
’t Gaat om een zaak van puur geloof
die consequenties blijkt te geven.
Want… wie Gods leiding accepteert
houdt op om voor zichzelf te leven.
Die jaagt niet langer naar het doel
dat hij zichzelf voor ogen stelde,
maar… breekt bewust met ’t eigen ik,
dat tóch in feite héél zwaar telde!

Geleid door een verheven hand!
Dat vraagt om durf en veel vertrouwen,
omdat je vaak de visie mist
op ’t plan, dat God je wil ontvouwen.
Zijn hand mag dan verheven zijn
maar…  héél concreet is het beleven
van ’t feit, dat Hij je richting kent!
Je gáát niet, maar je wordt gedreven!
Je kiest niet, maar je volgt zijn stem,
al brengt je dat misschien op wegen
die niet bepaald zo effen zijn.
Toch onderga je dáár de zegen
van zijn nabijheid, want zijn hand
wil leiden, maar… als ’t moet ook schragen!
Je reis zal nooit té moeilijk zijn!
Je kunt met Hém de tocht wel wagen!

Waag het dan ook met Hem!

Amen.


[i] Gen. 33:18.
[ii] Gen. 27.
[iii] Gen. 29.
[iv] Gen. 29:31-35.
[v] Gen. 30:1-34.
[vi] Gen. 34.
[vii] Gen. 17:7.
[viii] Gen. 36.
[ix] Gen. 35:22.
[x] Fil. 1:19-26.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s