
Preek over Mattheüs 15:21-18 gehouden op 23 augustus 2026 in de Hervormde gemeente van Vreeswijk (Voorbereiding Heilig Avondmaal).
Gemeente van onze Heere Jezus Christus,
Soms lijkt het alsof de hemel potdicht zit.
Je smeekt.
Je huilt.
Je klaagt.
Je roept.
Je bidt.
Maar vanuit de hemel blijft het stil.
Alsof de hemel van koper is.
Potdicht.
Herken je het?
Ik weet dat hier vanmorgen mensen zijn die soms dachten en misschien nu wel denken:
“God hoort mij niet…”
“God hoort mij niet.
Ik bid.
Ik roep.
Ik smeek.
Maar ik krijg geen antwoord”.
Vanmorgen horen we – dankzij onze kinderen – over de Kanaänitische vrouw.
Zij bidt, roept en smeekt.
Jezus is in het gebied van Tyrus en Sidon.
Dat is buiten Israël, in het huidige Zuid-Libanon.
Jezus is uit Galilea, uit Israël gegaan vanwege de toenemende oppositie van Farizeeën en Schriftgeleerden.
Naar het noorden.
Naar heidens, niet Joods land.
En wat in Israël niet voluit gebeurt, gebeurt juist daar.
In niet-Joodse omgeving.
Daar wordt Jezus erkend als Zoon van David.[i]
Daar, in dat heidens land, smeekt een heidense vrouw Jezus om hulp.
De geschiedenis van vanmorgen gaat niet zozeer om een genezing.
Centraal staat vanmorgen het geloof.
Jezus is dus het gebied van Tyrus en Sidon.
Plotseling klinkt het geroep van een Kanaänitische vrouw.
Een vrouw dus uit de volken, die de HEERE in de Thora voor Israël had verdreven.
De vrouw woont in het gebied van Tyrus en Sidon.
Dat is het gebied waar Izebel vandaan kwam.
In hoofdstuk 11 heeft Jezus al gezegd:
“21‘Wee Chorazin, wee Betsaïda, want als in Tyrus en Sidon de wonderen waren gebeurd die bij jullie gebeurd zijn, dan zouden de inwoners van die steden zich allang in een boetekleed gehuld en met stof bedekt hebben en tot inkeer gekomen zijn. 22Ik zeg jullie: op de dag van het oordeel zal het lot van Tyrus en Sidon draaglijker zijn dan dat van jullie”.
Hier in hoofdstuk 15 roept de niet Joodse vrouw, de Kanaänitische vrouw:
‘Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David!
Mijn dochter wordt vreselijk gekweld door een demon.’
Een moeder in nood klemt Zich in het geloof vast aan Jezus.
Haar dochter is bezeten.
Wat moet dat een verdriet geweest zijn.
Elke dag angst.
Elke dag machteloosheid.
Elke dag het gevoel, de wetenschap dat de duivel je kind in zijn greep houdt.
Misschien herken je daar iets van.
Van die machteloosheid van die moeder.
Je ziet je kind worstelen.
Je ziet haar of zijn pijn…
Je zou zo graag…
…maar voor je gevoel ben je machteloos.
Je vraagt om hulp aan die…
En aan die…
En aan die…
Maar het helpt allemaal niks…
Leer dan vanmorgen maar van deze moeder.
Zij gelooft, dat is…
Zij weet zeker, zij vertrouwt er vast op dat er uiteindelijk maar Eén is die echt kan helpen: Jezus!.
Ze roept het uit:
“Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David!”.
Het lijden van haar dochter is haar lijden.
Dat is moederliefde.
Dat herken je toch?
Als je kind pijn heeft, doet dat bij jou ook pijn.
Maar ze gelooft, weet zeker, vertrouwt er vast op:
Als Jezus Zich over mij ontfermt…
…zal mijn dochter geholpen worden.
Maar dan gebeurt er iets onverwachts.
Vers 23.
“ Maar Hij reageerde niet.”
Jezus reageert niet.
Geen antwoord.
Je roept.
Je smeekt.
Je bidt.
Maar geen antwoord.
En ook jij vraagt je bij vers 23 af:
“Waarom zwijgt Jezus?”
“Waarom geneest Hij niet meteen?”
In de Evangeliën lees je toch van genezingen van blinden, melaatsen, zieken?
Zelfs van opwekkingen uit de dood.
Waarom zwijgt Jezus?
Waarom doet Jezus niets?
Ach, moeten ook wij hier niet leren wat Gods kinderen door alle eeuwen heen hebben moeten leren?
Wat dan precies?
Dat Gods zwijgen niet betekent dat Hij Zijn hart toegesloten heeft.
Zijn mond zwijgt, maar Zijn liefde zwijgt nooit!
Van Augustinus hoorde ik de uitspraak:
“God stelt uit wat Hij wil geven, om het verlangen groter te maken.”
Dat zien we in deze geschiedenis terug.
Het geloof van de vrouw wordt beproefd.
Het geloof van de vrouw wordt gelouterd.
Zoals goud door het vuur gaat.
Zo wordt geloof gelouterd.
Ken je dat?
Jij hebt toch ook wel eens ervaren dat Gods zwijgen niet hetzelfde is als Gods afwijzen?
Ondertussen gaan de discipelen zich ook bemoeien met de vrouw en wat Jezus moet doen.
Dat kunnen ze trouwens vandaag de dag nog doen…
Opvallend vind ik dat de discipelen niet met die vrouw mee smeken, meebidden.
Dat ze niet zeggen “Ach Heere, wilt u die dochter genezen en zo de moeder weer gelukkig maken”.
“Heere wilt U, alstUblieft…”.
Nee. Integendeel.
Vers 23
“Zijn leerlingen kwamen naar Hem toe en vroegen Hem dringend: ‘Stuur haar toch weg, anders blijft ze ons maar naroepen.’”
“Stuur haar weg.”
Ze vinden haar lastig.
Want haar roepen stoort.
Ze stoort.
Hoe gaat dat vandaag?
Hoe gaat dat hier?
Er zullen vast kerkmensen zijn die deze reactie van de discipelen heel goed vinden.
Of “profetisch”.
Dat zal vast, maar ik vind het erg…
Denk erom: Soms kun je als gelovige andere mensen zo maar wegduwen.
Afhouden van Christus en wegduwen.
Maar dan zegt Jezus Zelf in vers 24:
“Ik ben alleen gezonden naar de verloren schapen van het volk van Israël.”
En in vers 26
“Het is niet goed om het brood voor de kinderen aan de honden te voeren.”
Jezus laat de vrouw voelen dat ze buiten het heil van Israël staat.
Zij hoort niet bij het geheiligde volk.
Maar is als een hond, onrein.
Is Jezus hier hard?
Hardvochtig?
Onbarmhartig?
“Zou God, zou Jezus Zijn genâ vergeten?
Nooit meer van ontferming weten?”
Nou.
Gemeente.
Het is niet de normaalste zaak van de wereld dat je vanmorgen begroet bent met “Genade en vrede”.
Dat de God van Israël ook onze, ook jouw God is.
Dat wij zalig worden heeft alles te maken met genade.
Genade alleen.
Jezus is in de eerste plaats gekomen voor Israël.
Wij mogen delen in het heil.
Of zoals Paulus later zal schrijven:
“Het evangelie van Jezus Christus is Gods reddende kracht voor allen die geloven, voor Joden in de eerste plaats, maar ook voor andere volken”.[ii]
Eerst de Jood, dan de Griek.
In Romeinen 11 schrijft dezelfde Paulus over Israël:
“…door hun overtreding konden de andere volken worden gered en daarop moesten zij afgunstig worden”.
“15Als God, toen zij afvallig werden, de wereld met zich heeft verzoend, zal Hij zeker, wanneer zij opnieuw aangenomen worden, leven schenken uit de dood!”[iii]
In deze geschiedenis legt Jezus na het ongeloof van Farizeeën en Schriftgeleerden, het geloof van een heidense vrouw bloot.
Een geloof dat volhoudt.
Volhardt!
Ook als alles tegenzit.
Zelfs als het lijkt dat Hij afwijst.
Zelfs als Hij zwijgt.
Heb je weleens gehoord van Abraham, de vader van alle gelovigen?
“Zelfs toen alle hoop vervlogen was, bleef Abraham hopen en geloven dat hij de vader van vele volken zou worden, zoals hem was beloofd.”[iv]
De vrouw houdt vol!
Houdt aan.
Daarom antwoordt de vrouw in vers 27:
“Zeker, Heer, maar de honden eten toch de kruimels op die van de tafel van hun baas vallen”.
Let op!
Zij spreekt Jezus dus niet tegen.
Zij zegt niet: “Israël wel het uitverkoren volk en wij niet.
Dat is oneerlijk”.
Of
“Mij met een hond, hondje vergelijken.
Een onrein dier?
Zoek Je ruzie of zo…”
Ze zegt ook niet:
“U MOET mijn dochter genezen.
U MOET!
Ik heb er recht op.”
Nee.
Ze kent haar plaats.
Ze erkent haar onwaardigheid.
Tenminste zo vat ik het op.
Eigenlijk zegt ze:
“Heere…
U hebt helemaal gelijk.
Ik ben geen kind van Israël.
Ik heb nergens recht op.
Maar U bent zo rijk.
Dat Uw kruimels genoeg voor mij zijn.”
Uw kruimels zijn genoeg.
Volgende week een klein stukje brood…
Als de vrouw zich zou voorbereiden op het Heilig avondmaal.
Dan komt ze niet met haar goede werken.
Niet met haar afkomst.
Niet met haar godsdienst.
Niet met vromigheid.
Nee ze weet dat ze het helemaal moet hebben van Jezus.
Van Jezus alleen en helemaal.
En juist daarom ontvangt zij alles.
Want de zon breekt door.
Herstel, de Zoon breekt door.
Jezus zegt
“’U hebt een groot geloof!
Wat u verlangt, zal ook gebeuren.’
En vanaf dat moment was haar dochter genezen”.
Op hetzelfde moment wordt haar dochter genezen.
Op afstand, want die dochter is helemaal niet aanwezig.
Genezen.
Hij hoeft niet eens bij die dochter te zijn.
Hij hoeft Zijn hand niet op haar te leggen.
Broeders en zusters.
Misschien herken je je in deze vrouw.
Maak je je ook zorgen over je kinderen….
Misschien bid je al jaren.
En lijkt er niets te gebeuren.
Geef de moed niet op.
Houd vol!
Misschien herken je juist het zwijgen van God.
Je begrijpt Gods weg niet.
Waarom duurt het zo lang?
Waarom geneest Hij niet?
Waarom verandert er niets?
Dan zegt deze geschiedenis dat Zijn stilte niet betekent dat Hij jou vergeten is.
Hij vormt juist het geloof.
Hij leert ons, om alles buiten Hem, los te laten.
De vrouw leert ons tot Jezus te vluchten.
Niet met rechten.
Niet met verdiensten.
Niet met vrome prestaties.
Maar als een hulpeloze te bidden.
Moede kom ik arm en naakt
tot de God Die zalig maakt.
Dat is volgende week ook zo.
De grootste heiligen zijn zij die steeds meer ontdekken dat zij niets hebben dan Jezus alleen.
Dat zien we hier.
Deze vrouw houdt niets over.
Behalve Hem.
En dat blijkt genoeg te zijn.
Jezus helpt uiteindelijk deze heidense vrouw.
Zoals Hij ook jou en mij helpt en redt.
Hoe?
Door Zelf de plaats van de verworpene in te nemen.
Hij, de Zoon van David, wordt buiten Jeruzalem geleid.
Buiten de stad.
Als een vervloekte.
Hij zwijgt voor Zijn rechters.
Hij roept het uit:
“Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?”
Opdat wij, in zichzelf verloren mensen nooit meer definitief verlaten zouden worden.
Aan het kruis lijkt het of God zwijgt.
Maar juist daar…
Daar opent Hij voor eeuwig de deur van Zijn genade.
Daarom mag ook een heiden binnenkomen.
Daarom mag ook een zondaar naderen.
Daarom is er ook plaats, voor jou en mij.[v]
Wij vieren volgende week geen Avondmaal omdat wij zo vroom en godsdienstig zijn.
Nee, omdat Jezus Christus werd buitengesloten.
In jouw en mijn plaats.
Door de diepte lijdt de Heere naar de hoogte van het heil.
Door de strijd naar de overwinning.
Wij leren vandaag en volgende week niet hoe groot ons geloof moet zijn.
Wij leren voor het eerst of opnieuw hoe groot onze Zaligmaker is.
Hij zegt: Kom, want alle dingen zijn gereed.
Amen.
[i] Vgl. Mattheüs 1:1.
[ii] Romeinen 1:16.
[iii] Romeinen 11:11 en 15.
[iv] Romeinen 4:18.
[v] Van Bruggen schrijft in zijn commentaar: “Zij (de vrouw) staat model voor Israël. Door de wijze waarop Jezus dit wonder heeft verricht, valt het licht niet op de genezene, maar op de gelovende. Israël kan aan haar zien, wat Jezus zoekt onder de verloren schapen van dit volk. In de marge van de terugtrekkende beweging wijst Hij een weg aan voor echte hereniging van volk en Messias. Die weg is niet beperkt tot Israël, maar Hij is wel gekomen om die weg eerst aan dit volk van de belofte te wijzen.”